De stilte die hier heerst is nergens zo bevredigend. Het licht dat hier schijnt is nergens zo mooi. Hoe verder ik in de gang kom hoe feller het licht word. Op de muren hangen foto’s van mensen die me bekend voor komen, maar ik kon ze niet plaatsen. Als mensen die je altijd bij de bushalte tegen komt en als je ze dan op een andere plaats tegenkomt je ze vaag zou herkennen. In de verte staat een man die een gebaar maakt, hij gebaart om dichterbij te komen. Opnieuw kijk ik naar de muren en kijk naar de foto’s. Ik krijg een koude rilling over mijn rug er staat kippenvel op mijn armen. Op de foto’s staan dode mensen. Mensen waar ik veel om gaf, die ik nog een dag langer naast me had willen hebben. Mijn gevoelens geven het gevoel dat ik hier weg wil. Ik kijk achter me. Wat me nog een onprettiger gevoel geeft. Het is donker en grauw. De man die gebaart, glimlacht me vriendelijk toe en vertelt om niet bang te zijn. Hoe dichter ik bij de man kom, hoe beter ik zijn gezicht kan zien. Ik krijg een brok in mijn keel. Het is mijn opa! Mijn hoofd draait, zwarte stipjes verschijnen voor mijn ogen. Ik probeer te blijven staan tot de stipjes voor mijn ogen zijn weggetrokken. Mijn ogen laten zich opnieuw op de foto’s vallen en ik verlies volledige controle over mezelf. De tranen stromen over mijn wangen