Advertentie: bereik met Marokko.nl vrijwel alle Marokkaanse jongeren


Bekijk volle/desktop versie : Biografie van de Profeet Mohammed; Het zegel der profeetschap



Pagina's : [1] 2 3

Boot-je
29-09-2010, 04:46


Over de auteurhttp://www.islam-boeken.be/images/Biografie%20Mohammed.jpg Levensbeschrijving Levensbeschrijving Alle lof behoort toe aan Allah, de Rabb van de gehele mensheid, djinn en alles dat bestaat. Moge de vrede en zegeningen van Allah op onze Profeet, de Leider der Boodschappers, Mohammed, zijn en op zijn familie, metgezellen en al diegenen die hem volgen, tot aan de Dag des Oordeels. Het is ongeveer twee decennia geleden dat ik een beknopte samenvatting van mijn leven aan de Moeslim Wereld Liga aanbood, tijdens het samenstellen en publiceren van dit boek. Daar er daarna vele veranderingen hebben plaatsgevonden, geef ik er de voorkeur aan om deze informatie te moderniseren. Naam en afkomst Naam: Safioer Rahman. Koennijah: Aboe Hisjam. Afkomst: Safioer Rahman ibn Abdoellah ibn Mohammed Akbar ibn Mohammed Ali ibn Abdoel Moemin ibn Faqiroellah Moebarakpoeri, Azami. Geboorteplaats en datum Ik ben in het midden van het jaar 1942 geboren in Hoesainabad, een stad die ongeveer anderhalve kilometer ten noorden van Moebakarpoer (Azamgarhdistrict) ligt, een stad die beroemd is om de huisindustrie in de noordelijke provincie van India. Onderwijskundige achtergrond Ik ben mijn studies thuis begonnen, door de Qoer-aan te leren lezen wat mijn grootvader en mijn oom mij onderwezen. Daarna werd ik op de Madrasa Arabia Daroet-Ta’liem, Moebarakpoer toegelaten, en begon ik met het fundamentele islamitische onderwijs in het Arabisch en in de Perzische talen. In Sjawwal 1373 N.H. (juni 1954) werd ik op de Madrasa Ahjaoel Oeloem in Moebarakpoer toegelaten voor verder onderwijs in islamitische studies en Arabische literatuur. Twee jaar later in Sjawwal 1375 N.H (mei 1956) sloot ik mij aan bij de Madrasa Faid Aam, Maoenath Bhandjan Azamgarhdistrict, voor hoger onderwijs. Bij het voltooien van mijn zeven jaar onderwijs in islamitische vakken, ontving ik het Fadilat-diploma van laatstgenoemd instituut in Sja’ban 1380 N.H. Ik ontving ook de Maulvi-certificaten in 1959 en de Alim in 1960 van het Overheidsonderwijs-bestuur omdat ik met een hoog cijfer hun examens haalde. Na de veranderingen in het systeem van de Arabische scholen, nam ik deel aan het Fadil-diploma-examen onder het Overheidsonderwijs-bestuur en slaagde met hoge cijfers voor achtereenvolgens de dubbele Fadil-examens in 1976 en 1978. Arbeidsverleden Na het voltooien van mijn studies aan Madrasa ‘Faid-I-Aam’ in het jaar 1961, begon ik te onderwijzen, lezingen te geven en preken te houden. Maar onfortuinlijke omstandigheden stonden het mij niet toe om lang op één plaats te blijven. In maart 1963 kwam ik bij de Madrasa ‘Faid-I-Aam’ in Maoenath Bhandjan als onderwijzer. Daarna stapte ik in februari 1966 over naar de Madrasa ‘Daroel-Hadiets’ in dezelfde stad. In januari 1969 werd ik aangesteld als rector aan de Madrasa ‘Faidoel-Oeloem’ in Seoni (M.P.). Na vier jaar, in 1972, werd mij verzocht om in mijn oorspronkelijke instituut, ‘Madrasa Arabia Dar-oet-Taliem’, te komen werken als rector. Nadat ik daar twee jaar doorgebracht had, werd ik door Djami’ah Salafiah Banaaras uitgenodigd om mij als onderwijzer (Oestadz) bij hen te voegen. Ik voegde mij in Sjawwal 1394 N.H (oktober 1974) bij hen en werkte daar bij verschillende afdelingen, tot Dzoel-Hidjdjah 1408 (juli 1988). In 1408 N.H werd op de islamitische universiteit van Al-Medina al-Moenawwarah een onderzoeksinstituut gevestigd als ‘het centrum voor de diensten van de biografie van de Profeet.’ Ik werd geselecteerd om daar te werken en mij werd de taak toebedeeld om een encyclopedie voor te bereiden over de levensgeschiedenis van de Profeet (vrede zij met hem) . En ik werk er tot op de dag van vandaag als geleerde. Boeken en verzamelingen Het is de genade van Allah Die mij begunstigde en mij van de bekwaamheid tot schrijven voorzag, vanaf het begin van mijn carrière. Tijdens de periode waarin ik lesgaf en schreef, stelde ik ongeveer zeventien boeken samen in het Oerdoe en in de Arabische talen. Toen het maandelijkse Oerdoe-tijdschrift van Djami’ah Salafijah ‘Moehaddits’ in 1980 werd gepubliceerd, werd ik als hoofdredacteur van de tijdschriftafdeling aangesteld, tot aan september 1988, toen ik mij bij de islamitische universiteit van Al-Medina Al-Moenawwarah voegde. Tijdens die periode schreef ik een aantal verhandelingen over maatschappelijke, historische, politieke en religieuze onderwerpen, die door de mensen werden gewaardeerd. Al-hamdoelillah. “O, onze Heer, accepteer met goede acceptatie van ons en zoek de groei ervan op de goede manier.” Safi-oer-Rahman Al-Moebarakpoeri

Boot-je
29-09-2010, 04:47
Locatie en de aard van de Arabische stammen Zonder een spoor van twijfel weerspiegelt de biografie van Profeet Mohammed (vrede zij met hem) duidelijk een grondige belichaming van de verheven goddelijke Boodschap die hij overbracht om de mensheid uit het moeras van de duisternis en het polytheïsme te halen en naar het paradijs van het licht en monotheïsme te brengen. Een zowel authentiek als veelomvattend beeld van deze Boodschap wordt dus slechts verkregen door middel van zorgvuldig onderzoek en een diepgaande analyse van zowel de achtergronden als de onderwerpen van zo’n biografie. In het licht hiervan wordt hier een heel hoofdstuk aangeboden over de aard en de ontwikkeling van de Arabische stammen vóór de islam, alsmede een uitvoerige beschrijving van de omgeving waarin de Profeet (vrede zij met hem) zijn missie vervulde. Locatie van de Arabieren Taalkundig betekent het woord “Arabier” woestijn en onvruchtbaar dor land, dat nagenoeg zonder water en zonder bomen is. Al sinds de dageraad van de geschiedenis zijn het Arabisch schiereiland en zijn volken zo genoemd. Het Arabisch schiereiland wordt in het westen omsloten door de Rode Zee en de Sinaï, in het oosten door de Arabische Golf, in het zuiden door de Arabische Zee, die een uitloop van de Indische Oceaan is, en in het noorden door het oude Syrië en een deel van Irak. Het gebied wordt geschat als zijnde tussen 1,6 miljoen en 2 miljoen vierkante kilometer. Dankzij zijn geografische positie is het schiereiland altijd zeer belangrijk geweest. Als we het landschap daarvan bekijken, bestaat het voornamelijk uit woestijnen en zanderige plekken, waardoor het ontoegankelijk voor vreemden en invallers bleek te zijn, daardoor zijn de daar levende volkeren door de eeuwen heen nooit overheerst geweest, ondanks de aanwezigheid van twee naburige grote rijken. Het landschap zorgde er aan de andere kant voor, dat het het centrum van de oude wereld was en voorzag het van zee- en landverbindingen met de meeste volkeren van die tijd. Dankzij de strategische positie was het Arabisch schiereiland een centrum voor handel, cultuur, religie en kunst geworden. Arabische stammen Arabische verwanten zijn overeenkomstig hun afkomst verdeeld in drie groepen: 1 Uitgestorven Arabieren: de oude Arabieren, over wier geschiedenis weinig bekend is en waartoe de ‘Ad, de Thamoed, de Tasam, de Djadis, de Emlaq en anderen behoorden. 2 Pure Arabieren: die hun oorsprong vinden in het nageslacht van Ja’roeb ibn Jasjdjoeb ibn Qahtan. Zij werden ook Qahtanische Arabieren genoemd. 3 Verarabiseerde Arabieren: die hun oorsprong vinden in het nageslacht van Isma’iel. Zij werden ook ‘Adananische Arabieren genoemd. De pure Arabieren – de mensen van Qahtan – leefden oorspronkelijk in Jemen en bestonden uit vele stammen, waarvan er twee zeer beroemd waren: a) De Himyar: van wie de beroemdste takken de Zaid Al-Djamhoer, de Qada’a en de Sakasic waren . b) De Kahlan: waarvan de beroemdste takken de Hamdan, de Anmar, de Thai’, de Moedhhidj, de Kinda, de Lakhm, de Djoedham, de Azd, de Aws, de Khazradj en de afstammelingen van Djafna – de koningen van oud-Syrië – waren. De Kahlan-stammen emigreerden uit Jemen om zich in verschillende delen van het Arabisch schiereiland te vestigen, dit was voor de Grote Vloed (Sail Al-‘Arim van de Ma’ribdam), vanwege het gebrek aan handel onder de Romeinse onderdrukking en dominantie op zowel de handelsroutes over zee als over land die volgde op de Romeinse bezetting van Egypte en Syrië. Het is volkomen natuurlijk, dat het wedijveren tussen de Kahlan en de Himyar leidde tot de emigratie van de eerste uit Jemen en tot de vestiging van de laatste in Jemen. De emigrerende stammen van de Kahlan kunnen in vier groepen worden verdeeld: 1 De Azd: die, onder het leiderschap van ‘Imran ibn ‘Amr Moezaiqba door Jemen zwierven, pioniers stuurden en zich uiteindelijk noordwaarts bewogen. De details van hun emigratie kunnen als volgt worden opgesomd: Tha’labah ibn ‘Amr verliet zijn stam Al-Azd en ging op weg naar Hidjaz en dwaalde tussen Tha’labiyah en Dzi Qar. Toen hij weer op krachten kwam, ging hij op weg naar Medina en daar bleef hij. Van zijn zaad zijn Aws en Khazradj ontsprongen, zoons van Harithah ibn Tha’labah. Harithah ibn ‘Amr, bekend als Khoeza’a, zwierf met zijn mensen in Hidjaz, totdat zij bij Mar Az-Zahran kwamen. Later veroverden zij de Haram en vestigden zich in Mekka, nadat zij de mensen daarvan, de stam van Djoerhoem, hadden verdreven. ‘Imran ibn ‘Amr en zijn mensen gingen naar Oman, waar zij de stam van Azd vestigden. Hun kinderen bewoonden Tihama en stonden bekend als de Azd van Sjanoe’a. Djafna ibn Amr’ en zijn familie gingen op weg naar Syrië, waar hij zich vestigde en het koninkrijk van Ghassan opzette, dat was genoemd naar een waterbron in Hidjaz waar zij op weg naar Syrië waren gestopt. 2 De Lakhm en Djoedham: onder wie Nasr ibn Rabie’ah was, de vader van de Manadhira, de koningen van Hierah. 3 De Banoe Thai’: die ook noordwaarts trokken en zich bij de zogenoemde Ajda en Salma-bergen vestigden, die vervolgens de Thai’ bergen werden genoemd. 4 De Kinda: die in Bahrein verbleven, maar naar Hadramaut en Nadj werden verbannen, waar zij een krachtige overheid instelden, maar niet voor lang, want de hele stam kwijnde al snel weg. Een andere stam van de Himyar, bekend als de Qoeda’ah, verliet Jemen ook en verbleef in de halfwoestijn van Samawa op de grens van Irak. De verarabiseerde Arabieren gaan in afkomst terug tot hun overgrootvader Ibrahiem u die uit een stad genaamd “Ar” kwam, vlakbij Koefa op de westoever van de Eufraat in Irak. Opgravingen brachten belangrijke details over de stad, de familie van Ibrahiem en de heersende religies en maatschappelijke omstandigheden aan het licht. Het is bekend, dat Ibrahiem u vanuit Ar naar Harran en toen naar Palestina vertrok, dat hij het hoofdkwartier voor zijn missie maakte. Hij zwierf door het gehele gebied. Toen hij naar Egypte ging, trachtte de Firaun zijn vrouw Sara kwaad te doen, maar Allah I redde haar en de gemene list van de Firaun wreekte zich op hem. Aldus realiseerde hij zich haar grote hechting aan Allah I en, ter erkenning van haar gratie, stelde de Firaun zijn dochter Hagar ten dienste van Sara, maar Sara gaf Hagar als vrouw aan Ibrahiem u. Ibrahiem u keerde naar Palestina terug, waar Hagar het leven schonk aan Isma’iel u. Sara werd zo jaloers op Hagar, dat zij Ibrahiem dwong Hagar en haar baby weg te sturen naar een onvruchtbare vallei op een kleine heuvel in Hidjaz, bij het Heilige Huis, blootgesteld aan overstomingen van links en van rechts. Hij koos een plaats voor hen onder een hoge boom boven Zamzam, naast de hoogste zijde van de moskee in Mekka, waar noch mensen, noch water beschikbaar waren, en ging terug naar Palestina. Hij liet een lederen kist met wat dadels en een kan water bij zijn vrouw en baby achter. Het duurde niet lang, voor ze zowel het voedsel als het water op hadden gebruikt, maar dankzij de gunsten van Allah I gutste het water voort om hen enige tijd te voorzien. Het hele verhaal van de Zamzam-bron is al bij iedereen bekend. Een andere Jemenitische stam – Djoerhoem de tweede – kwam en leefde in Mekka, met toestemming van Hagar, nadat ze, zoals gezegd wordt, in de valleien rond Mekka hadden geleefd. In Sahih Al-Boecharie wordt vermeld, dat deze stam naar Mekka kwam voordat Isma’iel een jongeman was, terwijl ze, voor die gebeurtenis, lang door die vallei hadden getrokken. Zo nu en dan ging Ibrahiem u naar Mekka om zijn vrouw en zoon te zien. Hoeveel van deze reizen hij heeft gemaakt, is onbekend, maar authentieke historische bronnen spreken over vier. In zijn Edele Qoer’aan verklaart Allah I, dat Hij Ibrahiem u in zijn droom liet zien, hoe hij zijn zoon Isma’iel u slachtte en daarom stond Ibrahiem u op, om Zijn bevel uit te voeren: Toen, terwijl zij zich allebei onderworpen hadden en hij had hem knielend op zijn slaap neergelegd. En Wij riepen naar hem: “O Ibrahiem! Jij hebt de droom vervuld!” Waarlijk! Dus belonen Wij de weldoeners. Waarlijk, dat was zeker een duidelijke beproeving. En Wij hebben hem vrijgekocht met een groot offer. (QS Ash-Shaaffaat 37: 103-107)

Boot-je
29-09-2010, 04:48
In Genesis wordt vermeld, dat Isma’iel u dertien jaar ouder was dan zijn broer Ishaaq u. De volgorde van het verhaal van het offeren van Isma’iel u toont aan, dat het werkelijk voor de geboorte van Ishaaq u kwam en dat de belofte van Allah I, om Ibrahiem u een andere zoon – Ishaaq u – te geven, na het vertellen van het hele verhaal kwam. Dit verhaal sprak over – ten minste – één reis, voordat Isma’iel u een jongeman was geworden. Op het gezag van Ibn Abbaas, heeft Al-Boekharie de andere drie verhalen overgeleverd; waarvan we de volgende samenvatting kunnen geven: Toen Isma’iel u een jongeman geworden was, leerde hij Arabisch met behulp van de Djoerhoem-stam, die hem met grote bewondering lief had en hem één van hun vrouwen als echtgenote gaf, kort nadat zijn moeder stierf. Omdat hij zijn vrouw en zoon weer wilde zien, kwam Ibrahiem na het huwelijk van Isma’iel naar Mekka, maar hij trof hem niet thuis. Hij vroeg de vrouw van Isma’iel naar haar echtgenoot en hoe het met hen ging. Zij klaagde over armoede, dus hij vroeg haar om tegen Isma’iel te zeggen, dat hij zijn drempel moest veranderen. Isma’iel begreep de boodschap, scheidde van zijn vrouw en trouwde met de dochter van Moedad ibn ‘Amr, de leider van de stam van Djoerhoem. Opnieuw kwam Ibrahiem om zijn zoon te bezoeken, maar weer trof hij hem niet thuis. Hij stelde dezelfde vraag als voorheen aan zijn nieuwe vrouw, als antwoord daarop dankte zij Allah. Ibrahiem vroeg haar tegen Isma’iel te zeggen, dat hij zijn drempel moest houden (d.w.z. haar als vrouw houden) en keerde naar Palestina terug. Voor een derde maal kwam Ibrahiem u naar Mekka en vond Isma’iel u, die een pijl onder een hoge boom vlakbij de Zamzam-bron scherpte. Na lange tijd van elkaar gescheiden te zijn geweest, was het zeer ontroerend voor een vader die zo aanhankelijk was en een zoon die zo plichtsgetrouw en rechtschapen was. Deze keer bouwden vader en zoon samen Al-Ka’bah en verhieven zijn zuilen en in overeenstemming met het bevel van Allah riep Ibrahiem u de mensen op er een pelgrimstocht naar toe te maken. Door de genade van Allah kreeg Isma’iel u twaalf zoons van de dochter van Moedad, hij gaf ze de volgende namen: Nabet, Qidar, Edbael, Mebsjam, Misjma, Doema, Micha, Hoedoed, Yetma, Yetoer, Nafis en Qidman en die uiteindelijk twaalf stammen vormden die Mekka bewoonden en handelden met Jemen, het gebied wat tegenwoordig Syrië en Egypte is. Later verspreidden deze stammen zich overal, zelfs buiten het schiereiland. Al hun berichten zijn in de vergetelheid geraakt, behalve over de afstammelingen van Nabet en Qidar. De Nabetaniërs – zoons van Nabet – stichtten een bloeiende beschaving in het noorden van de Hidjaz, ze installeerden een krachtige overheid, breidden hun rijk uit over alle buurstammen en maakten Petra tot hun hoofdstad. Niemand waagde het hun autoriteit te betwisten, totdat de Romeinen kwamen en in staat bleken hun koninkrijk te vernietigen. Na uitgebreide research en nauwkeurig onderzoek, kwam Mr. Soelaiman An-Nadwi tot de conclusie, dat de Ghanasidische koningen, tezamen met de Aws en de Khazradj waarschijnlijk geen Qahtianen waren, maar Nabetaniërs. Afstammelingen van Qidar, de zoon van Isma’iel u, leefden lang in Mekka, in aantal vermeerderend, uit hun kwamen Adanaan en zijn zoon Ma’ad voort, tot wie de Adananische Arabieren hun afkomst herleiden. Adanaan is de éénentwintigste grootvader in de serie van profetisch voorouderschap. Er is gezegd, dat, wanneer de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) over zijn voorouders sprak, hij stopte bij Adanaan en zei: “Genealogen vertellen leugens,” en niet verder dan hem ging. Een groep geleerden echter, gaf er de voorkeur aan geen betekenis te hechten aan het niet verder dan Adanaan gaan in de eerder genoemde hadith. Zij zeiden verder, dat er exact veertig vaders waren tussen Adanaan en Ibrahiem u. Nizar, de enige zoon van Ma’ad, had vier zoons, die zich vertakten in vier grote stammen; Iejad, Anmar, Rabie’ah en Moedar. Deze laatste twee vertakten zich in verscheidene stammen. Rabie’ah bracht; Asad, ‘Anazah, ‘Abdoel Qais en de twee zonen van Wa’il (Bakr en Taghlib), Hanifa en vele anderen voort. De Moedar-stammen vertakten zich in twee grote afdelingen: Qais ‘Ailan ibn Moedar en takken van Elias ibn Moedar. Van Qais ‘Ailan waren Banoe Saliem, Banoe Hawazin en Banoe Gharafan, waarvan Abs, Zoebayn, Asjdja en Ghani ibn A’soer afstamden. Van Elias ibn Moedar waren Ramim ibn Moerra, Hoedzail ibn Moedraika, Banoe Asad ibn Khoezaimah en stammen van Kinanah ibn Khoezaimah, van wie de Qoeraisj kwam, de afstammeling van Fahr ibn Malik ibn An-Nadr ibn Kinanah. De Qoeraisj vertakte zich in verscheidene stammen, van wie de beroemdste: Djoemah, Sahm, ‘Adi, Makhzoem, Tayim, Zahra en de drie stammen van Qoesai ibn Kilab waren: ‘Aboed-Dar ibn Qoesai, Asad ibn ‘Abdoel Oezza ibn Qoesai en ‘Abdoel Manaf ibn Qoesai. ‘Abdoel Manaf vertakte zich in vier stammen: ‘Abdoesj Sjams, Nawfal, Moettalib en Hasjim. Het is echter van de familie van Hasjim dat Allah de Profeet Mohammed ibn Abdoellah ibn Abdoel-Moettalib ibn Hasjim r selecteerde. De Profeet Mohammed (vrede zij met hem) zei: “Allah I selecteerde Isma’iel u van de zonen van Ibrahiem u, Kinanah van de zonen van Isma’iel u, Qoeraisj van de zonen van Kinanah, Hasjim van de zonen van Qoeraisj en Hij selecteerde mij van de zonen van Hasjim.” Al-‘Abbaas ibn Abdoel-Moettalib citeerde de Boodschapper van Allah r als volgt: “Allah schiep de mensheid en koos mij van de beste daarvan, Hij koos de stammen en selecteerde mij van de beste daarvan; en Hij koos families en selecteerde mij van de beste daarvan. Ik ben de allerbeste in persoon en familie.” In aantal toegenomen, verspreiden de kinderen van Adanaan zich, op zoek naar water en weiden, over verscheidene delen van Arabië. De stam van ‘Abdoel Qais emigreerde, tezamen met enkele stammen van Bakr ibn Wa’il en Tamim, naar Bahrein, waar zij bleven. Banoe Hanifa ibn Sa’b ibn Ali ibn Bakr ging zich in Hidjr, de hoofdstad van Jamamah vestigen. Alle stammen van Bakr ibn Wa’il leefden in een gebied waarin ook Jamamah, Bahrein, Saif Kazima, de zeekust, de buitengrenzen van Irak, Ablah en Hait vielen. Het grootste deel van de stam van Taghlib leefde in het gebied rond de Eufraat, terwijl sommige van hen met Bakr leefden. Banoe Tamim leefde in de Basra-halfwoestijn. Banoe Saliem leefde in de omgeving van Medina op het land dat zich van Wadi Al-Qoera tot Khaibar uitstrekte en verder door naar de oostelijke bergen tot Harrah. Thaqif verbleef in Tha’if en Hawazin, dat oostelijk van Mekka ligt, vlakbij Auwtas, op de weg van Mekka naar Basra. Banoe Asad leefde op het land ten oosten van Taima en ten westen van Koefa, terwijl de familie van Thai’ tussen Banoe Asad en Taima in leefden. Zij woonden op een afstand van vijf dagen lopen vanaf Koefa. Zoebjan bewoonde een stukje grond tussen Taima en Hawran. Sommige stammen van Kinanah leefden in Tihama, terwijl stammen van de Qoeraisj in Mekka en zijn buitengebieden verbleven. De Qoeraisj hing als los zand aan elkaar totdat Qoesai ibn Kilab in staat bleek om hun gelederen op eerbare voorwaarden te groeperen die het grote belang erkenden van hun status.

Boot-je
29-09-2010, 04:49
Heerschappij en prinselijke waardigheid onder de Arabieren Wanneer we spreken over de Arabieren voor de islam, achten wij het noodzakelijk om een kort beeld te schetsen van de geschiedenis van de heerschappij, de prinselijke waardigheid, de sektegeest en de religieuze dominantie onder de Arabieren, om zo begrip te kweken voor de destijds heersende omstandigheden toen de islam verscheen. Toen het licht der islam steeg, waren er twee soorten heersers in Arabië: gekroonde koningen, die in feite niet onafhankelijk waren; en de hoofden van stammen en families, die dezelfde autoriteit en privileges genoten als de gekroonde koningen en die over het algemeen onafhankelijk waren, hoewel sommige van hen enige onderwerping toonden aan een gekroonde koning. Gekroonde koningen waren slechts die van Jemen, Hierah en Ghassan. Alle andere heersers van Arabië waren ongekroond. Heerschappij in Jemen De mensen van Sjeba waren één van de oudste naties van de pure Arabieren, die in Jemen leefden. Opgravingen bij “Oer” brachten hun bestaan, vijfentwintig eeuwen voor Christus aan het licht. Ze hadden een bloeiende beschaving en hun rijk breidde zich uit tot in de elfde eeuw voor Christus. Het is mogelijk om hun eeuwen in te delen volgens de volgende schatting: 1) De eeuwen vóór 650 voor Christus. Tijdens welke periode hun koningen “Makrib Sjeba” werden genoemd. Hun hoofdstad was “Sarwah”, ook bekend als “Khriba”, waarvan de ruïnes op een plaats liggen die een dag lopen van de westkant van “Ma’rib” is. Tijdens deze periode startten zij met de bouw van de “Dam van Ma’rib”, die van groot belang was voor de geschiedenis van Jemen. Van Sjeba werd ook gezegd, dat ze zo’n groot rijk hadden, dat ze kolonies binnen en buiten Arabië hadden. 2) Van 650 voor Christus tot 115 voor Christus. Tijdens deze periode gaven zij de naam “Ma’rib” op en namen de aanduiding “Koningen van Sjeba” aan. Zij maakten ook Ma’rib tot hun hoofdstad in plaats van Sarwah. De ruïnes van Ma’rib liggen op een afstand van 100 km van San’aa. 3) Van 115 voor Christus tot 300 na Christus. Tijdens deze periode veroverde de stam van Himyar het koninkrijk van Sjeba en zij stelden Redan aan als hoofdstad in plaats van Ma’rib. Later werd Redan “Zifar” genoemd. De ruïnes ervan liggen nog steeds op de Moedawwar-berg vlakbij de stad “Yarim”. Tijdens deze periode trad het verval in. Hun handel faalde in grote mate, ten eerste door toedoen van het Nabetiaanse rijk in het noorden van de Hidjaz en ten tweede door de Romeinse superioriteit over de handelsroutes over zee na de Romeinse verovering van Egypte, Syrië en het noorden van Hidjaz; en ten derde vanwege de onderlinge stammenoorlogen. Dankzij de drie bovengenoemde factoren raakten de families van Qahtan verdeeld en vielen ze uiteen. 4) Van 300 na Christus totdat de islam in Jemen ontluikt. In deze periode was er veel wanorde en verwarring. De vele burgeroorlogen waren er de oorzaak van dat de mensen van Jemen ontvankelijk waren voor buitenlandse onderwerping en daarom verloren zij hun onafhankelijkheid. Tijdens dit tijdperk veroverden de Romeinen ‘Adn en hielpen zij zelfs de Abessijnen (Ethiopiërs) om Jemen in 340 na Christus voor het eerst te bezetten, gebruikmakend van het voortdurende onderlinge stammenconflict van de Hamdan en de Himyar. De Abessijnse bezetting van Jemen duurde tot 378 na Christus waarna Jemen zijn onafhankelijkheid terugkreeg. Later begonnen de scheuren zichtbaar te worden in de Ma’rib-Dam, die tot de Grote Vloed (450 of 451 na Christus) leidden, welke vermeld wordt in de Edele Qoer-aan. Dit was een belangrijke gebeurtenis, die de val van de gehele Jemenitische beschaving veroorzaakte, alsmede de versnippering van de volken die er leefden. In 523 hield Dzoe Nawas, een jood, een grote veldtocht tegen de christenen van Nadjran, om hen te dwingen zich tot het jodendom te bekeren. Weigerend dit te doen, werden zij levend in een grote kuil geworpen, waarin een groot vuur was aangestoken. De Qoer-aan verwijst naar deze gebeurtenis: “Vervloekt waren de mensen van de gracht” (QS Al-Boeroedj 85: 4) Dit wekte veel toorn op bij de christenen en met name bij de Romeinse keizers, die niet alleen de Abessijnen aanzetten tegen de Arabieren, maar ook een grote vloot samenstelden, die het Abessijnse leger, dat uit zo’n zeventigduizend krijgers bestond, hielp een tweede verovering van Jemen te bewerkstelligen in 525 na Christus, onder het leiderschap van Eriat, aan wie de heerschappij over Jemen werd gegeven. Deze positie behield hij, totdat hij door iemand van zijn legerleiding werd vermoord. Dit was Abraha, die, na een verzoening met de koning van Abessinië, de heerschappij over Jemen overnam en later zijn soldaten aan het werk zette om Al-Ka’bah te vernietigen en daarom werden zijn soldaten bekend als de “Mannen van de Olifant”. Na het “Olifant”-incident kwamen de mensen van Jemen, onder leiding van Ma’dikarib ibn Saif Dzoe Jazin Al-Himjari en met Perzische assistentie, in opstand tegen de Abessijnse invallers, herstelden de onafhankelijkheid en wezen Ma’dikarib aan als hun koning. Ma’dikarib werd echter vermoord door een Abessijn die hij gewoonlijk in de buurt hield voor diensten en bescherming. Aldus werd de familie van Dzoe Jazin voor altijd van het koningschap beroofd. Kisra, de Perzische koning, wees een Perzische heerser over San’aa aan en maakte Jemen aldus tot een Perzische kolonie. Perzische heersers behielden de heerschappij over Jemen, totdat Badhan, de laatste van hen, in 638 na Christus de islam omarmde en aldus eindigde het Perzische rijk in Jemen. Heerschappij in Hierah Vanaf het moment dat Korosj de Grote (557-529 voor Christus) de Perzen verenigde, bestuurden zij Irak en zijn omgeving. Niemand kon hun autoriteit afschudden, totdat in 326 voor Christus Alexander de Grote hun koning Dara I bedwong en aldus de Perzen onderwierp. De Perzische landen werden vanaf dat moment verdeeld en bestuurd door koningen die bekend stonden als “de koningen der Sekten”, een tijdperk dat duurde tot 230 na Christus. Ondertussen bezetten de Qahtaniers een aantal Irakese gebieden, later gevolgd door sommige Adananiers, die in staat bleken enkele delen van Mesopotamië met ze te delen. Onder leiderschap van Ardasjir, die in 226 na Christus de Sasanische staat had gevestigd, konden de Perzen een zo hechte eenheid vormen en zich sterk genoeg maken om de Arabieren die in de omgeving van hun koninkrijk leefden, te onderwerpen en Qoeda’ah te dwingen naar Syrië te vertrekken, de volkeren van Hierah en Anbar onder Perzische heerschappij latend. Tijdens de periode van Ardasjir oefende Djoezaima Alwaddah de heerschappij over Hierah, Rabie’ah en Moedar en over Mesopotamië uit. Ardasjir erkende, dat het onmogelijk voor hem was om de Arabieren direct te overheersen en hen ervan te weerhouden zijn grenzen aan te vallen, behalve wanneer hij één van hen als koning aanstelde, één die de steun en macht van zijn stam genoot. Hij had ook gezien, dat hij gebruik van hen kon maken tegen de Byzantijnse koningen, die hem voortdurend lastig vielen. Op hetzelfde moment konden de Arabieren van Irak, de Arabieren van Syrië, die in de greep van de Byzantijnse koningen waren, weerstaan. Hij achtte het echter gepast om een Perzisch bataljon onder commando van de koning van Hierah te stellen, om tegen de Arabieren die tegen hem in opstand kwamen, te gebruiken. Na de dood van Djoezaima, rond 268 na Christus, werd ‘Amr ibn ‘Adi ibn Nasr Al-Lakhmi als koning door de Perzische koning Saboer ibn Ardasjir aangesteld. ‘Amr was de eerste van de Lakhmi-koningen, die Hierah beheersten totdat de Perzen Qabaz ibn Fairoez aanstelden, onder wiens heerschappij iemand verscheen die Mazdak was genaamd, die opriep tot losbandigheid in het maatschappelijke leven. Qabaz en vele van zijn onderdanen omarmden de religie van Mazdak en riepen zelfs de koning van Hierah, Al-Moenzir ibn Ma’ As-Sama op om hen te volgen. Toen de laatste, vanwege zijn trots en zelfrespect, weigerde dit bevel op te volgen, ontsloeg Qabaz hem en stelde Harith ibn ‘Amr ibn Hagar Al-Kindi aan, die de Mazdaakse geloofsleer had aangenomen. Zodra Kisra Anoe Sjairwan Qabaz had opgevolgd, doodde hij Mazdak en vele van zijn volgelingen, omdat hij de filosofie van Mazdak haatte, zette hij Moenzir opnieuw op de troon van Hierah en gaf hij bevel Harith onder arrest te plaatsen. De laatste zocht zijn toevlucht bij de Al-Kalb-stam, waar hij de rest van zijn leven doorbracht. De zoons van Al-Moenzir ibn Ma’ As-Sama behielden lange tijd het koningschap, totdat An-Noe’man het overnam. Vanwege een lastercampagne, die door Zaid ibn ‘Adi Al-‘Abbadi was gestart, werd de Perzische koning boos op An-Noe’man en hij liet hem naar zijn paleis roepen. In het geheim ging An-Noe’man naar Hani ibn Mas’oed, de leider van de Sjaiban-stam en hij liet zijn rijkdom en zijn familie onder de bescherming van de laatste achter. Daarna presenteerde hij zichzelf bij de Perzische koning, die hem onmiddellijk in de gevangenis liet gooien, waar hij omkwam. Kisra stelde toen Iejas ibn Qoebaiesa At-Tha’i aan als koning over Hierah. Iejas werd bevolen om tegen Hani ibn Mas’oed te zeggen, dat hij de bezittingen van An-Noe’man aan Kisra moest overdragen. Zodra de Perzische koning de fanatiek gemotiveerde weigering van de Arabische leider had ontvangen, verklaarde hij de stam van Sjaiban de oorlog en mobiliseerde hij zijn troepen en krijgers onder leiding van koning Iejas, naar een plaats genaamd Dhie Qar, waar een zeer woeste strijd gevoerd werd, waarin de Perzen voor de eerste keer in de geschiedenis totaal door de Arabieren werden verslagen. Dat was vlak na de geboorte van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem), acht maanden nadat Iejas ibn

Boot-je
29-09-2010, 04:50


Qoebaiesah in Hierah aan de macht kwam. Na Iejas werd een Perzische heerser over Hierah aangesteld, maar in 632 na Christus keerde het gezag terug naar de familie van Lakhm, toen Al-Moenzir Al-Ma’roer de macht overnam. De heerschappij van Al-Moenzir Al-Ma’roer had nauwelijks acht maanden geduurd, toen Khalid ibn Al-Walid hem met zijn moslimsoldaten overviel. Heerschappij in geografisch Syrië Tijdens deze volksverhuizing bereikten sommige takken van Qoeda’ah de grenzen van Syrië, waar zij zich vestigden. Zij behoorden tot de familie van Soelaih ibn Halwan, uit wiens nageslacht de zoons van Doedj’am ibn Soelaih zijn, die als de Ad-Doedja’ima bekend staan. Zulke clans van Qoeda’ah werden door de Byzantijnen gebruikt bij de verdediging van de Byzantijnse grenzen tegen aanvallen van zowel Arabische bedoeïenen als Perzen en zij genoten gedurende een aanzienlijk tijdspanne autonomie, die naar men zegt de gehele tweede eeuw na Christus duurde. Eén van hun beroemdste koningen was Zyiad ibn Al-Haboela. Hun autonomie kwam echter tot een eind door een nederlaag tegen de Ghassanidiërs, die hieropvolgend de gevolmachtigde heerschappij over de Arabieren van Syrië geschonken kregen. Zij hadden Daumat Al-Djandal als hun hoofdkwartier en dit duurde tot de veldslag van Jarmoek in het jaar 13 na Hidjra. Hun laatste koning Djabala ibn Al-Aihoem omarmde tijdens de heerschappij van de leider der gelovigen, ‘Oemar Ibn Al-Khathab t de islam.

Boot-je
29-09-2010, 04:51
Heerschappij in de Hidjaz Gedurende zijn leven had Isma’iel u het gezag over Mekka, en het beschermheerschap over het gewijde Heiligdom. Na zijn dood, op 137-jarige leeftijd, volgden twee van zijn zoons, Nabet en Qidar, hem op. Later nam hun grootvader van moederskant, Moedad ibn ‘Amr Al-Djoerhami het over, aldus de heerschappij overhevelend naar de stam van Djoerhoem. Op die manier bewaarde hij een eerbiedwaardige positie, maar weinig autoriteit, voor de zoons van Isma’iel, en wel door de heldendaden van hun vader met het bouwen van het gewijde Heiligdom, een positie die ze behielden tot aan het verval van de stam van Djoerhoem, kort voor de opkomst van Boekhtanassar. De politieke rol van de Adananiërs begon in Mekka te groeien, wat duidelijk bewezen werd door het feit dat bij de eerste invasie van Boekhtanassar op de Arabieren, in “Dzati ‘Irq”, de leider van de Arabieren, niet van de stam Djoerhoem was. Echter als gevolg van de tweede invasie van Boekhtanassar in 587 voor Christus werden de Adananiërs uit Jemen verjaagd, terwijl Boermia An-Nabi met Ma’ad naar Syrië vluchtte, maar toen de druk van Boekhtanassar verminderde, keerde Ma’ad naar Mekka terug, alwaar hij niemand van de stam van Djoerhoem vond, behalve Djoersjam ibn Djalhamah, waarvan de dochter, Moe’ana, aan Ma’ad als vrouw werd gegeven. Zij kreeg later een zoon van hem, Nizar genaamd. Als gevolg van de moeilijke leefomstandigheden en armoede die in Mekka heersten, begon de stam van Djoerhoem de bezoekers van het gewijde Heiligdom slecht te behandelen en hun voorraden af te dwingen. Dit wekte afkerigheid en haat op bij de Adananiërs (de zoons van Bakr ibn ‘Abdoel Manaf ibn Kinanah), die, met behulp van de stam van Khoeza’a, die zich in een naburig gebied genaamd Marr Az-Zahran hadden gevestigd, Djoerhoem binnenviel en hen uit Mekka joeg, de heerschappij aan Qoeda’ah overlatend, ergens in het midden van de tweede eeuw na Christus. Bij het verlaten van Mekka vulde de stam van Djoerhoem de Zamzam-bron, maakte de plaats vlak en begroeven er vele dingen in. ‘Amr ibn Al-Harith ibn Moedad Al-Djoerhoemi heeft, zoals door Ibn Ishaaq, de beroemde historicus, is overgeleverd, de twee gouden herten, tezamen met de Zwarte Steen, alsmede veel juwelen en zwaarden in de Zamzam-bron, voorafgaand aan de treurige vlucht naar Jemen begraven. Het tijdperk van Isma’iel wordt op twintig eeuwen voor Christus geraamd wat betekent dat de Djoerhoem-stam eenentwintig eeuwen in Mekka bleef en daar ongeveer twintig eeuwen de heerschappij had. Na de nederlaag van de Djoerhoem monopoliseerde de stam van Khoeza’a de heerschappij over Mekka. De stammen van Moedar genoten echter drie privileges: De eerste: de pelgrims van ‘Arafat naar Moezdalifah leiden en daarna van Mina naar de ‘Aqabah stenigingszuil. Dit was de taak van de familie van Al-Gawth ibn Moerra, één van de clans van Elias ibn Moedar, die de “Sofa” werden genoemd. Dit privilege hield in, dat het de pelgrims niet was toegestaan om stenen naar Al-‘Aqabah te gooien, totdat één van de Sofa-mannen dat deed. Wanneer zij klaar waren met de steniging en de vallei van Mina wilden verlaten, stonden de “Sofa”-mannen aan weerszijden van Al-‘Aqabah en niemand kon die plaats passeren, totdat de mannen waren gepasseerd en de weg voor de pelgrims hadden vrijgemaakt. Toen Sofa verging, nam de familie van Sa’d ibn Ziad Manat, van de Tamim-stam, het over. De tweede: Al-Ifaadhah (het vertrekken van Moezdalifah naar Mina) op de ochtend van het offeren. En dit was de verantwoordelijkheid van de familie van Adwan. De derde: Uitstel van de heilige maanden en dit was de verantwoordelijkheid van de familie van Tamim ibn ‘Adi van Bani Kinanah. De heerschappij van de Khoeza’a in Mekka, duurde driehonderd jaar, gedurende welke de Adananiërs zich over Nadjd en langs de grenzen van Bahrein en Irak verspreidden, terwijl kleine clans van de Qoeraisj aan de buitenkant van Mekka bleven; dat waren Haloel, Haroem en een paar families van de Kinanah. Zij genoten geen privileges in Mekka of in het Heilige Huis, tot aan de komst van Qoesai ibn Kilab, van wie gezegd wordt, dat zijn vader stierf toen hij nog een baby was en dat zijn moeder vervolgens met Rabie’ah ibn Haram, van de stam van Bani Oedhra, trouwde. Rabie’ah nam zijn vrouw en haar baby mee naar zijn thuisland aan de grens van Syrië. Toen Qoesai een jongeman was geworden, keerde hij naar Mekka terug, dat toen door Halil ibn Habsa van de Khoeza’a werd beheerst, die zijn dochter, Hobba, als vrouw aan Qoesai gaf. Na de dood van Halil brak er een oorlog uit tussen de Khoeza’a en de Qoeraisj en dit resulteerde erin dat Qoesai de macht in Mekka en het Heilige Huis kreeg. De redenen voor deze oorlog worden in drie versies afgeschilderd De eerste: de uitbreiding van zijn nageslacht, vermeerdering van zijn bezit en de verhoging van zijn eer, na de dood van Halil, in ogenschouw nemend, vond Qoesai dat hijzelf meer recht had op het dragen van de verantwoordelijkheid van de heerschappij over Mekka en het beschermheerschap over het Heilige Huis, dan de stammen van de Khoeza’a en de Bani Bakr. Zijn verdediging hiervoor was, dat de Qoeraisj de leiders waren van de afstammelingen van Isma’iel. Daarom vroeg hij enkele mannen van de Qoeraisj en de Kinanah om advies betreffende zijn verlangen om de Khoeza’a en de Bani Bakr uit Mekka te evacueren. Zij waren het eens met zijn mening en ondersteunden hem. De tweede: de Khoeza’a beweerden, dat Halil aan Qoesai had verzocht het beschermheerschap over Al-Ka’bah en de heerschappij over Mekka na zijn dood te behouden. De derde: Halil gaf het recht over Al-Ka’bah aan zijn dochter Hobba en wees Aboe Ghabsan Al-Khoeza’i aan als haar waarnemer daarin. Na de dood van Halil kocht Qoesai dit recht voor een leren zak met wijn, wat de ontevredenheid onder de mannen van de Khoeza’a opwekte en zij trachtten te voorkomen dat Qoesai het beschermheerschap over het Heilige Huis zou krijgen. Deze laatste lukte het, met de hulp van de Qoeraisj en de Kinanah, echter om het over te nemen en om de Khoeza’a zelfs helemaal uit Mekka te verbannen. Wat de waarheid ook mag zijn geweest, de hele kwestie resulteerde erin, dat de Sofa hun eerdergenoemde privileges werden onthouden, dat de Khoeza’a en de Bakr uit Mekka werden verbannen en dat de heerschappij over Mekka en het beschermheerschap van het Gewijde Heiligdom aan Qoesai werd overgedragen, na een aantal vurige oorlogen tussen Qoesai en de Khoeza’a, die zware verwondingen aan beide zijden toebracht. Daarna vond een verzoening plaats en bemiddeling door Ja’moer ibn ‘Awf, van de stam van de Bakr, wiens oordeel de heerschappij van Qoesai over Mekka en zijn beschermheerschap over het Heilige Huis inhield, geen verantwoording aan Qoesai toeschreef voor het vergieten van het bloed van de Khoeza’a en bloedgeld aan de Khoeza’a oplegde. De heerschappij van Qoesai over Mekka en het Heilige Huis begon in 440 na Christus en gaf hem en naderhand de Qoeraisj absolute heerschappij over Mekka en onbetwist beschermheerschap over het Heilige Huis waar Arabieren vanuit geheel Arabië heen kwamen om hulde te bewijzen. Qoesai bracht zijn bloedverwanten naar Mekka en wees het aan hen toe, en stond de Qoeraisj toe daar te blijven. An-Noes’a, de families van Safwan, Adwan, Moeraa ibn ‘Awf behielden dezelfde rechten als ze voor zijn komst genoten. Een veelbetekenende prestatie die aan Qoesai wordt toegeschreven, is de vestiging van het An-Nadwa Huis (een huis voor bijeenkomsten), aan de noordzijde van de Al-Ka’bah-moskee, dat als ontmoetingsplaats voor de Qoeraisj dienst deed. Dit specifieke huis was voor de Qoeraisj van veel nut, omdat het de eensgezindheid onder hen waarborgde, alsmede hartversterkende oplossingen voor hun problemen.

Boot-je
29-09-2010, 04:52
Qoesai genoot echter de volgende privileges van leiderschap en eer: - Het voorzitten bij bijeenkomsten in het An-Nadwa-huis, waar consultaties betreffende ernstige kwesties werden gehouden en waar huwelijkscontracten werden aangekondigd. - De militaire bevoegdheden: hij had de zeggenschap over de kwesties die verband hielden met het verklaren van oorlog. - Deurbewaking van Al-Ka’bah: hij was de enige die het recht had om de poort te openen en was verantwoordelijk voor de diensten en bescherming ervan. - De pelgrims van water voorzien: dit betekent dat hij bassins vulde die met dadels en rozijnen waren gezoet, om de pelgrims te laten drinken. - De pelgrims voeden: dit betekent het bereiden van het voedsel voor de pelgrims die zich dit niet konden veroorloven. Qoesai legde de Qoeraisj zelfs voor dit voedsel een jaarlijkse belasting op over hun land, wat betaald moest worden in het seizoen van de pelgrimstocht. Het is echter opmerkelijk dat Qoesai ‘Abdoel Manaf, een zoon van hem, eruit pikte voor eer en prestige, terwijl dit niet zijn oudste zoon was (dit was ‘Aboed-Dar) en hem verantwoordelijkheden toevertrouwde, zoals het voorzitten van het An-Nadwa-huis, de militaire bevoegdheden, het bewaken van de deur van Al-Ka’bah, het van water en voedsel voorzien van de pelgrims. Door het feit dat de daden van Qoesai als onbetwistbaar werden beschouwd en zijn bevelen als onaantastbaar, gaf zijn dood geen aanleiding tot conflicten onder zijn zoons, maar dit gebeurde later wel onder zijn kleinkinderen. Want zodra ‘Abdoel Manaf was gestorven, kregen zijn zoons ruzie met de zoons van ‘Aboed-Dar, wat aanleiding tot onenigheid en gevechten onder de hele stam van de Qoeraisj zou hebben gegeven, als er geen vredesverdrag was gekomen, waarbij de posities werden herzien, waarna het voeden van de pelgrims en hen van water voorzien voor de zoons van ‘Abdoel Manaf werd gereserveerd; terwijl het An-Nadwa-huis, de militaire bevoegdheden en het bewaken van de deur van Al-Ka’bah voor de zoons van ‘Aboed-Dar waren. Echter, de zoons van Abdoel Manaf, lootten om hun verantwoordelijkheid en lieten vervolgens de taak van het voedsel en water over aan Hasjim ibn ‘Abdoel Manaf, na wiens dood de taak werd overgenomen door zijn broer, genaamd Al-Moettalib ibn ‘Abdoel Manaf en naderhand door ‘Abd Al-Moettalib ibn Hasjim, de grootvader van de Profeet, wiens zoons deze positie overnamen tijdens de opkomst van de islam, in welke periode ‘Abbaas ibn ‘Abdoel-Moettalib de verantwoordelijkheid had. Vele andere posities werden verdeeld onder de mensen van de Qoeraisj, voor het vestigen van de fundamenten van een nieuwe, democratische kleine staat met overheidskantoren en raden, die vergelijkbaar zijn met die van vandaag de dag. Hier is een lijst van enkele van die posities: - Loten trekken voor de afgoden werd aan Bani Djoemah toegewezen. - Het optekenen van offers, bijleggen van geschillen en relevante kwesties lag in de handen van de Bani Sahm. - Raadgeving ging naar de Bani Asad. - Organisatie van bloedgeld en boetes werd gedaan door de Bani Tayim. - Dragen van de nationale vlag werd door de Bani Oemaijjah gedaan. - De militaire instelling, voetsoldaten en cavalerie zou de verantwoordelijkheid van de Bani Makhzoem zijn. - De Bani ‘Adi fungeerde als bemiddelaars voor vreemdelingen. Heerschappij in pan-Arabië We hebben al eerder de emigraties van de Qahtaniden en Adananiërs gemeld en de verdeling van Arabië tussen die twee stammen. Degenen die vlakbij Hierah verbleven, waren onderworpen aan de Arabische koning van Hierah, terwijl diegenen die in de Syrische halfwoestijn verbleven, onder het rijk van de Arabische Ghassanidenkoning vielen, een vorm van onafhankelijkheid die in werkelijkheid meer formeel dan actueel was. Degenen die in de ver gelegen woestijnen leefden waren echter volledig autonoom. Deze stammen hadden ter verdediging van land en bezittingen in feite leiders die door de hele stam waren gekozen, een semi-overheid die op stammensolidariteit en gemeenschappelijke belangen gebaseerd was. De leiders van de stammen genoten dictatoriale privileges die vergelijkbaar waren met die van koningen en aan hen werd volledige gehoorzaamheid en het opvolgen van bevelen in tijden van zowel oorlog als vrede gegeven. Rivaliteit onder neven voor de heerschappij dreef hen er echter toe om elkaar te overtreffen in het ontvangen van gasten, in edelmoedigheid, wijsheid en ridderlijkheid, met als enige doel het uitrangeren van hun rivalen en het vergaren van roem onder de mensen, in het bijzonder onder de dichters, die in die tijd de officiële woordvoerders waren. De leiders van de stammen en de meesters hadden bijzondere claims op de oorlogsbuit, zoals een kwart van de buit, wat hij maar voor zichzelf koos of op zijn weg terugvond en zelfs de overgebleven ondeelbare buit. De politieke situatie De drie Arabische regio’s die aan het buitenland grensden, waren zwak en ondergeschikt. De mensen waren ofwel meesters ofwel slaven, heersers of onderdanen. Meesters, in het bijzonder de buitenlanders, hadden een claim op ieder voordeel; slaven hadden niets anders dan het dragen van verantwoordelijkheden. Met andere woorden, de despotische alleenheerschappij veroorzaakte inbreuk op de rechten van de onderdanen, alsmede onwetendheid, onderdrukking, onrechtvaardigheid, onrecht en moeilijkheden en degradeerde hen tot mensen die in een vruchtbaar land, zijn vruchten aan de heersers en machtige mannen afstond en dan in de duisternis en onwetendheid rondtastten, terwijl de heersers deze vruchten op extravagante wijze aan hun pleziertjes en geneugten, opwellingen en verlangens, tirannie en agressie verspilden. De stammen die naast deze regio’s leefden, bewogen zich tussen Irak en Syrië, terwijl diegenen die binnen Arabië leefden, onverenigd waren en beheerst werden door stammen- en rassenconflicten en religieuze meningsverschillen. Zij hadden noch een koning om hun onafhankelijkheid te onderhouden, noch iemand die hen in moeilijkheden advies kon geven of waar ze op vertrouwen konden. De heersers van Hidjaz echter, werden zeer hoog geacht en gerespecteerd door de Arabieren en werden als heersers beschouwd en als dienaren van het religieuze centrum. In feite was de heerschappij van Hidjaz een mengsel van wereldlijke en officiële vooraanstaande posities en van religieus leiderschap. Zij heersten onder de Arabieren in de naam van religieus leiderschap en monopoliseerden altijd het beschermheerschap van het Heilige Heiligdom en de omgeving. Zij namen de zorg op zich voor de belangen van de bezoekers van Al-Ka’bah en hadden de verantwoordelijkheid voor het naleven van de leefwijze van Ibrahiem. Zij hadden zelfs zulke ministeries en departementen als die van de parlementen van vandaag. Zij waren echter te zwak om die zware last te dragen, zoals overduidelijk aan het licht kwam tijdens de Abessijnse invasie.

Boot-je
29-09-2010, 04:53
Religies van de Arabieren De meeste Arabieren hadden de oproep van Isma’iel u ingewilligd en brachten de religie van zijn vader Ibrahiem u ten uitvoer. Zij hadden Allah I aanbeden, van Zijn eenheid getuigd en Zijn religie lange tijd gevolgd, totdat zij een deel van wat hun onderwezen was, vergaten. Zij behielden echter nog steeds de fundamentele overtuigingen zoals monotheïsme, alsmede andere aspecten van de religie van Ibrahiem, tot het moment dat een leider van de Khoeza’a, namelijk ‘Amr ibn Loehai, die bekend stond om zijn rechtschapenheid, liefdadigheid, eerbied en zorg voor religie en die liefde zonder reserves en gehoorzaamheid van zijn stamleden ontving, terugkwam van een reis naar Syrië, waar hij de mensen afgoden zag aanbidden, een fenomeen dat hij goedkeurde en waarvan hij geloofde, dat het rechtschapen was, daar Syrië de plaats van vele boodschappers en geschriften was. Hij bracht een afgod (Hoebal) met zich mee en plaatste die in het midden van Al-Ka’bah en riep de mensen op die te aanbidden. Gewillig genoeg verspreidde het heidendom zich over heel Mekka en vervolgens naar Hidjaz, terwijl de mensen van Mekka niet alleen de beschermheren van het Heilige Huis waren, maar ook van de gehele Haram. Zeer veel afgoden, verschillende namen dragend, werden in het gebied geïntroduceerd. Een afgod genaamd “Manat”, bijvoorbeeld, werd aanbeden in Al-Moesjallal, een plaats vlakbij Qadid bij de Rode Zee. Een ander, “Al-Lat” in Tha’if; een derde, “Al-Oezza”, in de vallei van Naklah enzovoorts, enzovoorts. Het polytheïsme overheerste en het aantal afgoden vermeerderde zich overal in de Hidjaz. Er werd zelfs vermeld dat, met behulp van een djinn-metgezel die hem vertelde, dat de afgoden van het volk van Noeh – Wadd, Soewa’, Jagoeth, Ja’oek en Nasr – in Djeddah waren begraven, ‘Amr ibn Loehai hen uitgroef en naar Tihama meenam. Toen het tijd werd voor de pelgrimstocht, werden de afgoden verdeeld onder de stammen, om ze mee naar huis te nemen. Iedere stam en ieder huis had zijn eigen afgoden en het Heilige Huis was er ook mee volgestopt. Bij de verovering door de Profeet (vrede zij met hem) van Mekka werden rondom Al-Ka’bah 360 afgoden gevonden. Hij brak ze en liet ze verwijderen en verbranden. Polytheïsme en het aanbidden van afgoden werden het duidelijkste kenmerk van de religie van de pre-islamitische Arabieren, ondanks dat ze beweerden de religie van Ibrahiem uit te voeren. De tradities en ceremonies van het aanbidden van de afgoden waren voornamelijk door ‘Amr ibn Loehai gecreëerd en werden als goede vernieuwingen beschouwd, in plaats van afgeleid van de religie van Ibrahiem. Enkele kenmerken van hun afgodenaanbidding waren: - Zichzelf aan de afgoden toewijden, hun toevlucht bij hen zoeken, toejuichen van hun namen, om hun hulp vragen in moeilijke tijden, en smeekbedes tot hen richten voor het vervullen van wensen, met de hoop dat de afgoden (d.w.z. heidense goden) bij Allah zouden bemiddelen voor het vervullen van de wensen van de mensen. Pelgrimstochten naar de afgoden maken, rondom ze heenlopen, zichzelf tegenover hen te vernederen en zelfs zichzelf voor hen ter aarde werpen. De gunsten van de afgoden trachten te verkrijgen, door middel van verscheidene offers, wat genoemd wordt in de Qoer-aanverzen: “En datgene wat op steenaltaren geofferd is” (QS Al-Maa-idah 5: 3) “Eet niet van dat waarover Allahs naam niet uitgesproken is” (QS Al-An'aam 6: 121) Bepaalde porties voedsel, drinken, vee en oogsten werden aan afgoden gewijd, er werden ook porties aan Allah Zelf gewijd, maar de mensen vonden vaak redenen om delen van de portie van Allah naar de afgoden over te hevelen, maar deden nooit het tegenovergestelde. Hierover gaan de Qoer-aanverzen: “En zij kennen aan Allah een deel van het akkerland en het vee toe wat Hij geschapen heeft, en zij zeggen: ‘Dit is voor Allah’ volgens wat zij zich voorstellen en ‘dit is voor onze (zogenaamde) deelgenoten.’ Maar het deel van de (zogenaamde) deelgenoten (van Allah) bereikt Allah niet,terwijl het deel van Allah de (zogenaamde) deelgenoten (van Allah) bereikt. Kwaad is de manier waarop zij oordelen!” (QS Al-An'aam 6: 136) Bij deze afgoden in de gunst trachten te komen door geloftes af te leggen oogst en vee aan hen te offeren, in welk verband de Qoer-aan zegt: “En volgens hun voorstelling zeggen zij, dat bepaalde soorten vee en oogst verboden zijn en men moet het niet eten behalve datgene wat Wij toestaan. En dat er bepaalde soorten vee zijn die geen last mogen dragen of enig ander werk doen en vee waarbij de naam van Allah niet wordt uitgesproken; liegend over Hem (Allah). Hij zal hen vanwege hun bedenksels vergoeden” (QS Al-An'aam 6: 138) Opdragen van bepaalde dieren (zoals Bahira, Sa’iba, Wasila en Hami) aan afgoden, wat erop neer kwam, dat zulke dieren werden gespaard van het nuttige werk, terwille van deze heidense goden. Zoals door de zeer bekende historicus Ibn Ishaaq wordt overgeleverd, was Bahira een dochter van Sa’iba, wat een vrouwtjeskameel was, die tien opeenvolgende vrouwtjeskamelen baarde, maar geen mannetjes, vrijgelaten werd en verboden om aan te spannen, te belasten of de wol ervan af te scheren of te worden gemolken (behalve om gasten van te laten drinken); en hetzelfde werd gedaan met al haar vrouwelijke nageslacht, waaraan de naam Bahira werd gegeven, nadat hun oren werden afgesneden. De Wasila was een vrouwtjesschaap, dat tien opeenvolgende dochters had, in vijf zwangerschappen. Alle nieuwe geboortes van deze Wasila werden alleen aan mannen toegewezen. De Hami was een mannelijke kameel, die tien opeenvolgende vrouwtjes voortbracht en aldus vergelijkbaar werd verboden. Bij het vermelden hiervan gaan de Qoer-aanverzen als volgt: “Allah heeft geen zaken als de kamelenmerrie met gespleten oren of over de losgelaten kamelenmerrie of over de ooi die met de ram een tweeling vormt of over de niet meer te belasten kamelenhengst, ingesteld. Maar de ongelovigen verzinnen leugens over Allah en de meesten van hen hebben geen begrip” (QS Al-Maa-idah 5: 103)

Boot-je
29-09-2010, 04:53
Allah zegt ook: En zij zeggen: ‘Wat in de buiken van bepaalde soorten vee is, is alleen voor mannen en voor onze vrouwen verboden, maar als het dood geboren wordt, dan mogen zij daarin delen.’ Hij zal hen voor hun toekenning bestraffen. Waarlijk, Hij is Alwijs, Alwetend.’ (QS Al-An'aam 6: 139) Het is een betrouwbare overlevering dat zulk bijgeloof in eerste instantie door ‘Amr ibn Loehai werd verzonnen. De Arabieren geloofden, dat zulke afgoden, of heidense goden, hen dichter bij Allah zouden brengen, naar Hem zouden leiden en terwille van hen bij Hem zouden bemiddelen, in welk verband de Qoer-aan zegt: “Wij aanbidden hen alleen maar zodat zij ons nader tot Allah kunnen brengen.” (QS Az-Zoemar 39: 3) En: En ze aanbidden naast Allah zaken die hen niet schaden, maar waar zij ook geen profijt van hebben en zij zeggen: ‘Dit zijn onze bemiddelaars bij Allah.’ Zeg: ‘Vertellen jullie Allah iets waarvan Hij in de hemelen of op aarde geen weet heeft?’ Verheerlijkt en verheven is Hij boven alles wat zij Hem als deelgenoten toekennen! (QS Joenoes 10: 18) Een andere voorspellingstraditie onder de Arabieren, was het werpen van Azlam (d.w.z. veerloze pijlen, die van drie soorten waren: één die “ja” liet zien, een andere “nee” en de derde was leeg), dit deden ze in het geval van belangrijke beslissingen, zoals reizen, het huwelijk en dergelijke. Als het lot “ja”, liet zien, deden ze het, in het geval van “nee”, stelden ze het een jaar uit. Andere vormen van Azlam werden geworpen voor water, bloedgeld of het aantonen van “van jou”, “niet van jou”, of “Moelsaq” (verbonden). In het geval van twijfel bij verwantschap, keerden zij zich tot de afgod Hoebal, met een geschenk van honderd kamelen, voor het werpen van de pijl. Alleen de pijlen zouden het soort relatie bepalen. Als de pijl “van jou” liet zien, werd besloten, dat het kind bij de stam zou horen; als het “van anderen” liet zien, werd hij als bondgenoot beschouwd, maar als “verbonden” verscheen, zou diegenen zijn positie behouden, maar zonder afkomst- of bondgenootschapscontract. Dit leek zeer op gokken en op het pijlschachten, een gewoonte die ze hadden om het vlees van de kamelen die ze slachtten overeenkomstig deze traditie te verdelen. Verder hadden ze een diep geloof in de voorspellingen van waarzeggers, voorspellers en astrologen. Een waarzegger dreef handel in het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen en beweerde kennis te bezitten van geheimen en het hebben van ondergeschikte djinns die het nieuws aan hem doorgaven. Sommige waarzeggers beweerden, dat zij het onbekende konden onthullen door middel van een gave, terwijl andere voorspellers opschepten, dat zij de geheimen openbaar konden maken door een proces van oorzaak en gevolg, of dat zij leiden tot het opsporen van een gestolen voorwerp, de locatie van een gestolen of afgedwaald dier en dergelijke. De astroloog behoorde tot een derde categorie, mensen die de sterren observeerden en hun bewegingen en banen berekenden, waarmee ze de toekomst zouden voospellen. Geloof aan dit nieuws hechten, gaf voeding aan hun overtuiging die een speciale betekenis aan de bewegingen van bepaalde sterren ophing met betrekking tot de regen. Het geloof in tekenen als voorspellers van toekomstige gebeurtenissen, was, uiteraard, normaal onder de Arabieren. Sommige dagen en maanden en dieren in het bijzonder werden als voortekens beschouwd. Zij geloofden ook, dat de ziel van een vermoord iemand de wildernis in zou vliegen en nooit zou rusten, totdat wraak was genomen. Bijgeloof heerste overal. Wanneer een hert of een vogel, bij zijn vrijlating naar rechts ging, dan werd dat waarin de mensen zich begaven als voorspoedig beschouwd, anders raakten zij pessimistisch en zagen zij ervan af, zetten het niet voort. Terwijl ze in sterk bijgelovig waren, behielden de mensen in de pre-islamitische periode nog enkele van de tradities van Ibrahiem, zoals toewijding aan het Gewijde Heiligdom, de rondgang, het inachtnemen van de pelgrimstocht, de nachtgebeden bij ‘Arafat en het aanbieden van offers, deze werden alle volledig in acht genomen, ondanks enkele vernieuwingen die deze heilige rituelen vervalsten. Uit arrogantie, zich verheven boven andere stammen voelend en trots omdat zij het beschermheerschap over het Heilige Huis hadden, onthielden de Qoeraisj zich er bijvoorbeeld van, met de massa naar ‘Arafat te gaan, in plaats daarvan stopten zij kort na Moezdalifah. De Edele Qoer-aan berispte hen en vertelde hen: “Verlaat deze plaats wanneer alle mensen die verlaten” (QS Al-Baqarah 2: 199)

Boot-je
29-09-2010, 04:54
Een andere vorm van ketterij, die diep in hun maatschappelijke tradities geworteld was, schreef voor, dat zij geen gedroogde yoghurt of gekookt vet aten, noch gingen zij een tent binnen die van kamelenhaar gemaakt was en zij zochten slechts schaduw in een huis dat van gedroogde steen gemaakt was, zolang zij verbonden waren aan de intentie van de pelgrimstocht. Vanuit een diepgewortelde misvatting, lieten zij pelgrims die niet uit Mekka kwamen, niet toe bij het eten dat ze hadden meegebracht toen zij de pelgrimstocht of de kleine pelgrimstocht wilden maken. Zij gaven bevel aan de pelgrims die van buiten Mekka kwamen, de rondgang om Al-Ka’bah te maken in uniformkledij van de Qoeraisj, maar als zij zich die niet konden veroorloven, moesten de mannen het in een staat van naaktheid doen en de vrouwen met slechts een stukje stof om hun geslachtsdelen te bedekken. Betreffende dit zegt Allah I: “O, kinderen van Adam! Neem jullie versiering bij het gebed” (QS Al-'Araaf 7: 31) Als mannen of vrouwen welgesteld genoeg waren om in hun kleren rond Al-Ka’bah te gaan, moesten zij die na de rondgang voorgoed afdanken. Wanneer de Mekkanen in de gewijde pelgrimsstaat waren, gingen zij hun huizen niet door de deuren binnen, maar door holen die zij in de achtermuur groeven. Zij beschouwden dit soort gedrag als vrome en godvrezende daden. Hun praktijken werden door de Qoer-aan verboden: “Het is niet vroom dat jullie de huizen van de achterkant binnengaan, maar het is vroom dat men Allah vreest. Treed de huizen dus door de juiste deuren binnen, en vreest Allah zodat jullie succes mogen hebben.” (Al-Baqarah 2: 189) Zo was het religieuze leven in Arabië; polytheïsme, afgoderij en bijgeloof. Het jodendom, het christendom, magianisme en sabianisme konden echter gemakkelijk hun weg vinden in Arabië. De migratie van de joden vanuit Palestina naar Arabië verliep in twee fases: ten eerste, als resultaat van de druk waaraan zij werden blootgesteld, de vernietiging van hun tempel en het feit dat de meeste van hen in Babylon, door koning Boekhtanassar gevangen waren genomen. In het jaar 587 voor Christus verlieten enkele joden Palestina en gingen naar Hidjaz en vestigden zich in de noordelijke gebieden daarvan. De tweede fase startte bij de Romeinse bezetting van Palestina, onder leiderschap van de Romein But, in 70 na Christus. Dit resulteerde in een golf van joodse migratie naar Hidjaz en in het bijzonder naar Jathrib, Khaibar en Taima’. Hier maakten zij in verschillende stammen bekeerlingen, bouwden forten en kastelen en leefden in steden. Het jodendom slaagde erin om een belangrijke rol te spelen in het pre-islamitisch politieke leven. Toen de islam in dat land de eerste tekenen begon te vertonen, waren er al verscheidene beroemde joodse stammen: Khabier, Al-Moestaliq, An-Nadier, Qoeraizhah en Qainoeqa’. In sommige versies waren er wel twintig joodse stammen. Het jodendom was in Jemen geïntroduceerd door een man genaamd Ash’ad Abi Karb. Hij was gaan vechten in Jathrib en daar had hij het jodendom omarmd en hij keerde toen terug en nam twee rabbijnen van de Bani Qoeraizhah met zich mee om de mensen in Jemen over de nieuwe religie te onderwijzen. Het jodendom vond daar vruchtbare grond en aanhangers om zich te verspreiden. Na zijn dood kwam zijn zoon Joesoef Dzoe Nawas aan de macht, viel de christelijke gemeenschap in Nadjran aan en beval hen het jodendom te omarmen. Toen zij weigerden, gaf hij bevel, dat een vuurput moest worden gegraven en dat zonder enig onderscheid alle christenen erin moesten worden gegooid. Schattingen zeggen, dat tussen de twintig- en veertigduizend christenen werden gedood in die menselijke slachting. De Qoer-aan heeft een deel van dat verhaal overgeleverd in het hoofdstuk Al-Boeroedj. Het christendom was voor het eerst in Arabië verschenen als gevolg van de binnenkomst van de Abessijnen en de Romeinse kolonisten in dat land. De Abessijnse kolonisatietroepen in samenspanning met christelijke missies kwamen Jemen binnen als een vergeldende reactie op de onrechtmatigheden van Dzoe Nawas en begonnen hun geloof heftig te verkondigen. Zij bouwden zelfs een kerk en noemden het de Jemenitische Al-Ka’bah, met als doel om de Arabische pelgrimstochten naar Jemen te brengen, toen deden zij een poging om het Heilige Huis in Mekka te vernietigen. Allah strafte hen echter en maakte een voorbeeld van hen – hier en in het hiernamaals. Een christelijke missionaris genaamd Fimion, die bekend stond om zijn ascetische gedrag en het laten gebeuren van wonderen, was op vergelijkbare manier in Nadjran geïnfiltreerd. Daar riep hij mensen op tot het christendom en door zijn eerlijkheid en ware devotie slaagde hij erin hen te overtuigen zijn uitnodiging aan te nemen en het christendom te omarmen. De belangrijkste stammen die het christendom omarmden, waren de Ghassan, de Taghlib, de Thai’ en enkele Himyarite koningen, alsmede enkele andere stammen die op de grenzen van het Romeinse rijk leefden. Magianisme was ook zeer populair onder de Arabieren die in de omgeving van Perzië, Irak, Bahrein, Al-Aksa en sommige gebieden aan de Arabische-Golfkust leefden. Er is ook getuigd, dat enkele Jemenieten het Magianisme beoefenden tijdens de Perzische bezetting. Wat het Sabianisme betreft, opgravingen in Irak onthulden, dat het populair was onder de Kaldania-volken, de Syriërs en de Jemenieten. Met de komst van het jodendom en het christendom, begon het Sabianisme echter plaats te ruimen voor de nieuwe religies, hoewel het enkele volgelingen behield, die vermengd waren of grensden aan de Magians in Irak en de Arabische Golf. De religieuze situatie Zo was het religieuze leven van de Arabieren voor de komst van de islam. De rol die de religies speelden was zeer marginaal, het was in feite bijna niets. De polytheïsten, die deden alsof zij de religie van Ibrahiem volgden, waren zeer ver van de voorschriften daarvan afgedwaald en zich totaal niet bewust van haar inherente goede manieren. Zij dompelden zich in de ongehoorzaamheid en goddeloosheid en ontwikkelden bepaalde vreemde religieuze bijgeloven die een belangrijke invloed hadden op het religieuze en politiek-maatschappelijke leven in heel Arabië. Het jodendom veranderde in een verschrikkelijke hypocrisie, samenwerkend met de overheersende macht. Rabbijnen veranderden in heren, met buitensluiting van de Heer. Het werden dictators die hun onderdanen voor het laatste woord of idee ter verantwoordig riepen. Het vergaren van rijkdom en macht, zelfs met gevaar van het verliezen van religie, of het opkomen van atheïsme of ongeloof, werd hun enige doel. Vergelijkbaar opende het christendom zijn deuren voor het polytheïsme en werd het te moeilijk om het als een hemelse religie te bevatten. Als religieuze praktijk ontwikkelde het een vreemd soort mengelmoes van mens en God. Het oefende geen invloed uit op de zielen van de Arabieren, die het op eenvoudige wijze afwezen, omdat het vreemd aan hun leefwijze was en geen enkele relatie met hun praktische leven had. Mensen van andere religies waren met betrekking tot hun neigingen, dogma’s, gebruiken en tradities met de polytheïsten te vergelijken.

Boot-je
29-09-2010, 04:55
Aspecten van de pre-islamitische maatschappij Na het onderzoek dat we hebben gedaan naar het religieuze en politieke leven in Arabië, is het gepast om bondig over de maatschappelijke, economische en ethische omstandigheden die daar heersten, te spreken. Maatschappelijk leven van de Arabieren De Arabische maatschappij weerspiegelde een mengelmoes, met verscheidene en ongelijksoortige maatschappelijke lagen. De status van de vrouw van adel is een teken van een vooruitstrevend niveau van eerbied. De vrouw genoot van een aanzienlijke portie vrije wil en haar beslissing werd over het algemeen bekrachtigd. Zij werd zozeer gekoesterd, dat er gemakkelijk bloed werd vergoten, bij het verdedigen van haar eer. Zij was in in feite, de beslissende sleutel voor bloedige gevechten of goede vrede. Niettegenstaande deze privileges, was het familiesysteem in Arabië volledig patriarchaal. Het huwelijkscontract lag volledig in de handen van de wettelijke voogd van de vrouw, wiens woord betreffende haar huwelijkse staat nooit betwist werd. Aan de andere kant waren er andere maatschappelijke lagen, waar de prostitutie en onfatsoenlijkheid overheersend en in volle zwang waren. Op gezag van ‘Aisjah heeft Aboe Dawoed vier soorten huwelijk in het pre-islamitische Arabië overgeleverd: de eerste was vergelijkbaar met de huwelijksprocedures van tegenwoordig, in welk geval een man zijn dochter ten huwelijk geeft aan een andere man, nadat er overeenstemming is over een bruidschat. In het tweede geval stuurde de man zijn vrouw – na de menstruatieperiode – om te gaan samenwonen met een andere man om een kind te verwekken. Na de bevruchting had haar echtgenoot, als hij dat verlangde, geslachtsgemeenschap met haar. Een derde vorm was, dat een groep van minder dan tien mannen seksuele gemeenschap met een vrouw hadden. Als zij bevrucht raakte en een kind baarde, liet zij deze mannen roepen en niemand kon wegblijven. Zij kwamen samen naar haar huis. Zij zei dan: “Jullie weten wat jullie hebben gedaan. Ik heb een kind gebaard en het is jouw kind (naar één van hen wijzend).” Deze man moest het dan accepteren. De vierde soort was, dat een heleboel mannen seksuele gemeenschap met een bepaalde vrouw hadden (een ****). Zij weerhield niemand ervan. Zulke vrouwen hingen een bepaalde vlag bij hun poorten om iedereen die wilde, uit te nodigen. Als deze **** zwanger raakte en een kind baarde, bracht ze deze mannen bijeen en een zieneres vertelde dan wiens kind het was. De aangewezen vader nam het kind dan mee en verklaarde hem of haar als van hem. Toen de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) de islam in Arabië verkondigde, hief hij al deze vormen van seksueel contact op, behalve die van het huidige islamitische huwelijk. Vrouwen hebben mannen altijd vergezeld bij hun oorlogen. De winnaars hadden vrijelijk seksueel contact met zulke vrouwen, maar hun leven lang achtervolgde de schande de kinderen die op deze manier verwekt waren. Pre-islamitische Arabieren hadden geen gelimiteerd aantal vrouwen. Zij konden twee zussen tegelijkertijd trouwen, of zelfs de vrouwen van hun vaders, nadat die van hen gescheiden waren, of weduwe waren geworden. Echtscheiding lag in grote mate in de macht van de echtgenoot. De obsceniteit van overspel overheerste in bijna alle maatschappelijke klassen, behalve bij een paar mannen en vrouwen wier zelfrespect hen ervan weerhield zo’n daad te begaan. Vrije vrouwen waren in veel betere omstandigheden dan de vrouwelijke slaven, die de grootste ramp vormden. Het scheen, dat de grote meerderheid van pre-islamitische Arabieren zich er niet voor schaamden om deze obsceniteiten te begaan. Aboe Dawoed heeft overgeleverd: “Een man stond op tegenover de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) en zei: ‘Oh Profeet van Allah! Die jongen is mijn zoon. Ik had geslachtsgemeenschap met zijn moeder in de pre-islamitische periode.’ De Profeet (vrede zij met hem) zei: ‘In de islam is er geen recht op pre-islamitische kwesties. Het kind moet worden toegewezen aan degene in wiens bed het werd geboren en steniging is het lot van de overspelpleger.’ Betreffende de relatie van de pre-islamitische Arabier met zijn nageslacht, zien we dat het leven in Arabië paradoxaal was en een somber beeld vol contrasten weerspiegelde. Terwijl hun kinderen sommige Arabieren na aan het hart stonden en ze uitermate koesterden, begroeven anderen hun meisjesbaby’s levend, omdat een bedrieglijke angst voor armoede en schande zwaar op hun drukte. De uitvoering van kindermoord kan echter niet worden gezien als volledig onbeheerst, vanwege de bittere noodzaak mannelijke kinderen te hebben om zichzelf tegen hun vijanden te beschermen. Een ander aspect van het leven van de Arabieren dat opmerkelijk mag worden genoemd, is de diepgewortelde emotionele gehechtheid van de bedoeïen aan zijn clan. Familie, of misschien stamtrots, was één van de sterkste passies bij hen. De doctrine van de eenheid van bloed als het grondbeginsel dat de Arabieren tot een maatschappelijke eenheid maakte, werd gevormd en ondersteund door stamtrots. Hun onbetwistbare motto was: “Ondersteun je broeder, of hij nu een onderdrukker is of een onderdrukte” in de letterlijke betekenis. Zij negeerden het islamitische amendement dat verklaart, dat het ondersteunen van een onderdrukkende broeder, inhoudt, dat je hem van de overtreding afhoudt. Begeerte naar het leiderschap en een scherp gevoel van rivaliteit resulteerden vaak in bittere stammenoorlogen, ondanks dat men van dezelfde voorouder afstamde. In dit verband zijn de voortdurende bloedige conflicten tussen de Aws en de Khazradj, de ‘Abs en de Dzoeb-jan, de Bakr en de Taghlib, enzovoorts, treffende voorbeelden. Onderlinge stammenrelaties waren breekbaar en zwak, vanwege de voortdurende onderlinge stammen- en uitputtingsoorlogen. Diepe toewijding aan religieuze bijgeloven en sommige gebruiken die ze vereerden, beteugelden echter regelmatig hun onstuimige neiging om hun bloeddorstigheid te lessen. In andere gevallen waren er de motieven van – en het respect voor – bondgenootschap, loyaliteit en afhankelijkheid die met succes een verstandhouding teweeg konden brengen en ongegronde redenen voor twist konden verwijderen. Een eerbiedwaardig gebruik van het opschorten van vijandigheden tijdens de verboden maanden (Moeharram, Radjab, Dzoel-Qa’dah en Dzoel-Hidjdjah) had een gunstige werking en voorzag hen van een gelegenheid om hun brood te verdienen en in vrede samen te leven. We kunnen de maatschappelijke situatie in Arabië samenvatten, door te zeggen, dat de Arabieren van de pre-islamitische periode in het duister en onwetendheid rondtastten, verstrikt in een net van bijgeloven, die hun verstand verlamden en hen ertoe dreef een dierlijk leven te leiden. De vrouw was een verkoopbaar artikel en werd beschouwd als een stuk levenloos bezit. Onderlinge stammenrelaties waren breekbaar. Begeerte naar rijkdom en betrokkenheid bij nutteloze oorlogen waren de belangrijkste motieven die het zelfzuchtige beleid van hun leiders beheersten.

Boot-je
29-09-2010, 04:56
De economische situatie De economische situatie hield gelijke tred met de maatschappelijke atmosfeer. De Arabische manier van leven geeft een duidelijk beeld van dit fenomeen. De handel was de meest voorkomende manier om in hun levensbehoeften te voorzien. De handelsreizen konden niet vervuld worden, behalve wanneer voor veilige karavaanroutes en voor een vredige onderlinge samenleving tussen de stammen werd gezorgd – twee noodzakelijke eisen, die helaas in Arabië ontbraken, behalve in de verboden maanden, wanneer de Arabieren o.a. hun bijeenkomsten van Oekaz, Dzil-Masdjaz, Midjannah hielden. De industrie was de Arabische psychologie vreemd. De meeste van de beschikbare industrieën, van breien en leerlooien werden in Arabië gedaan door mensen die uit Jemen, Hierah en de grenzen van Syrië kwamen. Binnenin Arabië was er een soort van landbouw en veeteelt. Bijna alle Arabische vrouwen werkten in het garenspinnen, maar zelfs deze arbeid werd voortdurend bedreigd door oorlogen. Over het geheel genomen waren de heersende economische kenmerken in Arabië: armoede, honger en onvoldoende kledij. Zedenleer We kunnen niet ontkennen dat de pre-islamitische Arabieren zonden hadden van grote omvang. Zoals algemeen erkend wordt, heersten ondeugd en onheil, die door het verstand volledig worden afgewezen, onder de pre-islamitische Arabieren, maar dit maskeerde niet het verrassende bestaan van zeer prijzenswaardige deugden, waarvan we de volgende kunnen aanvoeren: 1) Gastvrijheid: ze hadden de gewoonte met elkaar te wedijveren in gastvrijheid en waren er bijzonder trots op. Bijna de helft van hun poëzie was gewijd aan de verdiensten en edelheid die aan het gastvrij ontvangen van iemands gast werden gehecht. Zij waren buitengewoon edelmoedig en gastvrij. Zij offerden hun eigen voedsel op, aan een hongerige of koude gast. Zij aarzelden niet om zichzelf veel bloedgeld op te leggen en andere relevante lasten, om het bloedvergieten te stoppen, en vervolgens lofprijzingen en lof te verdienen. In verband met de gastvrijheid, doet zich hun gebruikelijke gewoonte van het drinken van wijn voor, wat werd beschouwd als een gebruik dat voortkomt uit edelmoedigheid en het tonen van gastvrijheid. Het drinken van wijn was een oprechte bron van trots voor de Arabieren van de pre-islamitische periode. De grote dichters van dat tijdperk vergaten nooit om de meest bloemrijke regels die bol stonden van de opschepperij en de lofprijzingen over de drinkorgieën, aan hun uitgebreide odes toe te voegen. Zelfs het woord ‘druiven’ is in het Arabisch synoniem aan edelmoedigheid, in zowel uitspraak als spelling. Gokken was een ander gebruik van hen dat sterk gerelateerd was aan edelmoedigheid, daar de winst altijd naar liefdadigheid ging. Zelfs de Edele Qoer-aan bagatelliseert de voordelen die uit het drinken van wijn en het gokken kunnen voortkomen niet, maar zegt ook: Zeg: “Daarin is een grote zonde, en ook (wat) nut voor de mens, maar de zonde daarvan is groter dan het nut.” (QS Al-Baqarah 2: 219) 2) Het naleven van een verdrag: voor de Arabier was het doen van een belofte hetzelfde als met maken van een schuld. Hij stond niet onwillig tegenover de dood van zijn kinderen of de vernietiging van zijn huishouden, alleen maar om de diepgewortelde traditie van het naleven van een verdrag hoog te houden. De literatuur uit die periode is rijk aan verhalen die deze verdienste belichten. 3) Eergevoel en het verwerpen van onrecht: dit kenmerk stamde voornamelijk af van overmatige moed, een scherp gevoel van eigenwaarde en onstuimigheid. De Arabier was altijd opstandig tegen de kleinste toespeling op vernedering en nalatigheid. Hij zou nooit aarzelen om zichzelf op te offeren om zijn altijd alerte gevoel van zelfrespect te behouden. 4) Sterke wil en vastbeslotenheid: een Arabier zal nooit afzien van een weg die bevorderlijk is voor een eervolle positie of iets dat reden tot trots geeft, zelfs als het ten koste van zijn leven gaat. 5 ) Verdraagzaamheid, doorzettingsvermogen en mildheid: de Arabier aanschouwde deze kenmerken met grote bewondering, dat is niet verwonderlijk, in zijn onstuimige en op moed gebaseerde leven was hier bedroevend weinig van te vinden. 6 ) Puur en eenvoudig bedoeïenenleven: het feit dat hij nog onbezoedeld was door de bedrieglijke verschijnselen van het stedelijk leven, was een drijvende kracht voor zijn eerlijke en waarheidsgetrouwe aard en gereserveerdheid ten opzichte van intriges en verraad. Zulke ethica die van onschatbare waarde was, gekoppeld aan de gunstige geografische positie van Arabië, waren in feite de achterliggende redenen voor het kiezen van de Arabieren voor het opnemen van de last van het doorgeven van de Boodschap (van de islam) en het leiden van de mensheid langs een nieuwe levenskoers. In dit verband waren deze waarden en normen hoewel ze op sommige gebieden nadelig waren en op bepaalde aspecten enige rectificatie nodig hadden, van onmetelijk belang voor de uiteindelijke menselijke gemeenschap en de islam heeft dit compleet gemaakt. De kostbaarste normen, naast het naleven van het verdrag, waren ongetwijfeld hun gevoel van eigenwaarde en sterke vastbeslotenheid, menselijke kenmerken die onvervangbaar zijn bij het bestrijden van zonde en het elimineren van morele ontaarding aan de ene kant en het vestigen van een goede en op het recht georiënteerde maatschappij aan de andere kant. Eigenlijk was het leven in de pre-islamitische periode rijk aan ontelbare andere deugden, waar we voor het moment niet over hoeven uit te wijden.

Boot-je
29-09-2010, 04:58


De afkomst en familie van Profeet Mohammed (vrede zij met hem) Met betrekking tot de afkomst van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) zijn er drie versies: van de eerste is de authenticiteit bevestigd door biografen en genealogen en die verklaart, dat de genealogie van Mohammed (vrede zij met hem) is herleid tot Adanaan. De tweede is het onderwerp van controverse en twijfel en herleidt zijn afkomst voorbij Adanaan terug naar Ibrahiem u. De derde versie, waarvan sommige delen absoluut incorrect zijn, herleidt zijn afkomst voorbij Ibrahiem terug naar Adam u. Na deze snelle inspectie, zijn nu wat uitvoerigere details noodzakelijk. Het eerste deel: Mohammed ibn ‘Abdoellah ibn ‘Abdoel-Moettalib (die Sjaiba werd genoemd) ibn Hasjim (‘Amr genaamd) ibn ‘Abdoel Manaf (Al-Moeghierah genoemd) ibn Qoesai (ook Ziad genoemd) ibn Kilab ibn Moerra ibn Ka’b ibn Lo’i ibn Ghalib ibn Fahr (die Qoeraisj heette en wiens stam naar hem vernoemd werd) ibn Malik ibn An-Nadr (zogeheten Qais) ibn Kinanah ibn Khoezaiman ibn Moedrikah (die ‘Amir heette) ibn Elias ibn Moedar ibn Nizar ibn Ma’ad ibn Adanaan. Het tweede deel: Adanaan ibn Add ibn Hoemaisi’ ibn Salamah ibn Aws ibn Boez ibn Qamwal ibn Obai ibn ‘Awwam ibn Nasjid ibn Haza ibn Bildas ibn Yadlaf ibn Tabikh ibn Djahim ibn Nahisj ibn Makhi ibn Aid ibn ‘Aqbar ibn Oebaid ibn Ad-Da’a ibn Hamdan ibn Sanbir ibn Jathribi ibn Yahzin ibn Yalhan ibn Ar’awi ibn Aid ibn Desjan ibn Alesar ibn Afnad ibn Aiham ibn Moeksar ibn Nahith ibn Zarih ibn Sami ibn Mazzi ibn ‘Awda ibn Aram ibn Qaidar ibn Isma’iel, zoon van Ibrahiem u. Het derde deel: voorbij Ibrahiem u Ibn Tarih (Azar) ibn Nahoer ibn Saroe ibn Ra’oe ibn Falikh ibn Abir ibn Sjalikh ibn Arfakhsjad ibn Sam ibn Noeh u ibn Lamik ibn Moetwasjlack ibn Akhnoekh [van wie men zegt dat het de Profeet Idris u is] ibn Yarid ibn Mahla’il ibn Qainan ibn Anoesja ibn Sjith ibn Adam u. De profetische familie De familie van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) wordt de Hasjimite familie genoemd naar zijn grootvader Hasjim ibn ‘Abdoel Manaf. Laat ons wat over Hasjim en zijn nakomelingen vertellen: 1) Hasjim: zoals we eerder hebben vermeld, was hij degene die verantwoordelijk was voor het geven van voedsel en water aan de pelgrims. Dit was zijn taak, sinds de zoons van ‘Abdoel Manaf en die van ‘Aboed-Dar een compromis sloten dat de taken tussen hen verdeelde. Hajsim was rijk en eerlijk. Hij was de eerste die de pelgrims brood aanbood dat in bouillon was gesopt. Zijn voornaam was ‘Amr, maar hij werd Hasjim genoemd omdat hij de gewoonte had om het brood te kruimelen (voor de pelgrims). Hij was ook de eerste man die met de twee reizen, van de zomer en de winter, van de Qoeraisj startte. Er is overgeleverd, dat hij naar Syrië als een handelaar ging. In Medina trouwde hij met Salma – de dochter van ‘Amr van Bani ‘Adi ibn An-Nadjdjar. Hij bracht enige tijd met haar door in Medina, toen vertrok hij opnieuw naar Syrië terwijl zij in verwachting was. Hij stierf in Palestina in 497 na Christus. Later schonk zijn vrouw het leven aan ‘Abdoel-Moettalib en noemde hem Sjaiba, vanwege het witte haar op zijn hoofd en bracht hem groot in het huis van haar vader in Medina. Niemand van zijn familie in Mekka hoorde over zijn geboorte. Hasjim had vier zoons; Asad, Aboe Saifi, Nadla en ‘Abdoel-Moettalib en vijf dochters; Asj-Sjifa, Khalida, Da’ifa, Roeqijah en Djannah. 2) ‘Abdoel-Moettalib: we weten al dat, na de dood van Hasjim, de taak van het voedsel en het water van de pelgrims naar zijn broer Al-Moettalib ibn ‘Abdoel Manaf ging (die eerlijk, edelmoedig en betrouwbaar was). Toen ‘Abdoel-Moettalib de jongensjaren bereikte, hoorde zijn oom Al-Moettalib over hem en ging naar Medina om hem te halen. Toen hij hem zag, raakten zijn ogen gevuld met tranen en die rolden over zijn wangen, hij omhelsde hem en nam hem op zijn kameel. De jongen wou niet met hem naar Mekka gaan, totdat hij de instemming van zijn moeder verkreeg. Al-Moettalib vroeg haar om de jongen met hem naar Mekka te sturen, maar zij weigerde. Hij wist haar te overtuigen, door te zeggen: “Jouw zoon gaat naar Mekka om het gezag van zijn vader te herstellen en om in nabijheid van het Heilige Huis te leven.” Daar in Mekka waren de mensen verbaasd om Abdoel-Moettalib te zien en zij beschouwden hem als de slaaf van Moettalib. Al-Moettalib zei: “Hij is mijn neef, de zoon van mijn broer Hasjim.” De jongen werd in het huis van Al-Moettalib grootgebracht, maar later stierf Al-Moettalib in Bardman in Jemen, dus nam ‘Abdoel-Moettalib het over en hij slaagde erin het prestige van zijn mensen te behouden en zijn grootvader te overtreffen met zijn eerbare gedrag, dat hem de diepe liefde en hoge achting van Mekka opleverde. Toen Al-Moettalib stierf, eigende Nawfal zich de taken van ‘Abdoel-Moettalib toe, dus de laatste vroeg om de hulp van Qoeraisj, maar zij onthielden zich van het bieden van enige vorm van hulp, aan ieder van hen. Vervolgens schreef hij een brief aan zijn ooms van de Bani An-Nadjdjar (de broers van zijn moeder) om hem te hulp te schieten. Zijn oom, Aboe Sa’d ibn ‘Adi (de broer van zijn moeder) marcheerde naar Mekka aan het hoofd van tachtig ruiters en sloeg zijn kamp op in Abtah in Mekka. ‘Abdoel-Moettalib ontving de mannen en nodigde ze uit naar zijn huis te gaan, maar Aboe Sa’d zei: “Niet voordat ik Nawfal ontmoet.” Hij vond Nawfal, die met enkele oude mannen van de Qoeraisj in de schaduw van Al-Ka’bah zat. Aboe Sa’d trok zijn zwaard en zei: “Ik zweer bij Allah, dat, als jij niet aan mijn neefje teruggeeft wat je hebt genomen, ik jou met dit zwaard zal doden.” Nawfal was aldus gedwongen op te geven wat hij zich had toegeëigend en de notabelen van de Qoeraisj waren getuige van zijn woorden. Aboe Sa’d ging toen naar het huis van ‘Abdoel-Moettalib, waar hij drie nachten verbleef, Oemrah deed en terug naar Medina ging. Later sloot Nawfal een bondgenootschap met Bani ‘Abdoesj Sjams ibn ‘Abdoel Manaf af tegen Bani Hasjim. Toen de Khoeza’a, een stam, de steun van de Bani An-Nadjdjar aan ‘Abdoel-Moettalib zag, zeiden zij: “Hij is net zozeer onze zoon als de jouwe. Wij hebben meer reden hem te ondersteunen dan jullie.” De moeder van ‘Abdoel Manaf was één van hen. Zij gingen het An-Nadwa-Huis binnen en sloten een bondgenootschap met Bani Hasjim af tegen Bani ‘Abdoesj Sjams en Nawfal. Het was een bondgenootschap dat later de belangrijkste reden voor de verovering van Mekka was. In zijn leven was ‘Abdoel-Moettalib getuige van twee belangrijke gebeurtenissen, namelijk het graven naar de Zamzam-bron en de aanval met de Olifant. In het kort, ‘Abdoel-Moettalib ontving in zijn droom een bevel om op een bepaalde plaats naar de Zamzam-bron te graven. Hij deed dat en vond de dingen die de Djoerhoem-mannen daarin hadden begraven, toen zij werden gedwongen om Mekka te verlaten. Hij vond de zwaarden, wapenuitrustingen en de twee gouden herten. De poort van Al-Ka’bah werd bezegeld met het goud van de gouden zwaarden en de twee herten en de traditie van het voorzien van Zamzam-water aan de pelgrims werd ingesteld. Toen het water uit de Zamzam-bron gutste, claimden de Qoeraisj het partnerschap in de onderneming, maar ‘Abdoel-Moettalib weigerde hun eisen op grond van het feit dat Allah Ta'ala alleen hem had uitgekozen voor deze eervolle taak. Om het geschil bij te leggen, kwamen zij overeen om raad te gaan vragen aan de voorspeller van Bani Sa’d. Toen zij op weg waren, toonde Allah hem Zijn tekenen die het voorrecht van ‘Abdoel-Moettalib betreffende de heilige bron bevestigden. Pas toen deed ‘Abdoel-Moettalib een plechtige gelofte om één van zijn volwassen kinderen aan Al-Ka’bah op te offeren, als hij er tien had. De tweede gebeurtenis was die van Abraha As-Sabah Al-Habasji, de Abessijnse onderkoning in Jemen. Hij had gezien dat de Arabieren hun pelgrimstocht naar Al-Ka’bah maakten, dus hij bouwde een grote kerk in San’aa om zo de Arabische pelgrims te bewegen daarheen te gaan en niet naar Mekka. Een man van de Kinanah-stam begreep de bedoeling daarvan en sloop daarom ’s nachts de kerk binnen en besmeurde de voormuur met uitwerpselen. Toen Abraha daarvan hoorde, werd hij heel boos en voerde een groot leger aan – van zestigduizend krijgers – om Al-Ka’bah te vernietigen. Hij koos de grootste olifant voor zichzelf. Zijn leger had negen of dertien olifanten. Hij bleef marcheren, totdat hij een plaats genaamd Al-Magmas bereikte. Daar bracht hij zijn leger in gereedheid, prepareerde zijn olifanten en maakte zich op om Mekka binnen te gaan. Toen hij de Moehassar-vallei bereikte, tussen Moezdalifah en Mina, knielde de olifant neer en weigerde voorwaarts te gaan. Wanneer zij hem noordwaarts, zuidwaarts of oostwaarts dirigeerden, bewoog de olifant zich snel, maar wanneer hij westwaarts, richting Al-Ka’bah werd gedirigeerd, knielde hij. Ondertussen, liet Allah zwermen vogels op hen los, die stenen van gebakken klei naar hun wierpen en maakte hen als verteerde groene bladeren. Deze vogels leken zeer veel op zwaluwen en mussen, elk droeg drie stenen; één in zijn snavel en twee in zijn klauwen. De stenen raakten de mannen van Abraha en sneden hun ledematen door en doden ze. Een groot deel van de soldaten van Abraha werd op die manier gedood en de andere vluchtten in willekeurige richtingen en stierven alom. Abraha zelf kreeg een infectie waardoor hij zijn vingertoppen verloor. Toen hij San’aa bereikte, was hij in een ellendige staat en stierf kort daarna.

Boot-je
29-09-2010, 04:59
De mensen van de Qoeraisj van hun kant, waren voor hun leven naar de heuvels en bergtoppen gevlucht. Toen de vijand aldus verslagen was, keerden zij veilig naar huis terug. De Gebeurtenis met de Olifant vond plaats in de maand Al-Moeharram, vijftig of vijfenvijftig dagen voor de geboorte van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) , wat correspondeert met het einde van februari of het begin van maart, 571 na Christus. Het was een geschenk van Allah aan Zijn profeet en zijn familie. Het kon feitelijk worden beschouwd als een goddelijke gunstige voorloper van het licht dat zou komen en het vergezelde de komst van de profeet en zijn familie. Daarentegen had Jeruzalem geleden onder het juk van de gruwelijkheden van de vijanden van Allah. Hier kunnen we ons Boekhtanassar in gedachten halen in 587 voor Christus en de Romeinen in 70 na Christus. Door de goddelijke genade, kwam Al-Ka’bah nooit onder de heerschappij van de christenen – de moslims van die tijd – hoewel Mekka door polytheïsten werd bevolkt. Het nieuws over de Gebeurtenis met de Olifant bereikte alle hoeken van de beschaafde wereld van toen. Abessinië behield sterke banden met de Romeinen, terwijl de Perzen aan de andere kant, aan de vooravond stonden van de strategische veranderingen die gloorden aan de politiek-maatschappelijke horizon en al snel in het bezit van Jemen kwamen. Overigens stonden de Romeinse en de Perzische rijken model voor de krachtige beschaafde wereld van die tijd. De aanval met de olifant vestigde de aandacht van de wereld op de heiligheid van het Huis van Allah en toonde aan dat dit Huis door Allah voor zijn heiligheid was gekozen. Het gevolg was toen, dat als één van zijn mensen het profeetschap claimde, het overeenkomstig de uitkomst van het olifantincident zou zijn en een verklaarbare uitleg zou zijn voor de bijkomstige goddelijke wijsheid die achter het steunen van de polytheïsten tegen de christenen lag, op een manier die de oorzaak-en-gevolgformule te boven steeg. ‘Abdoel-Moettalib had tien zoons, Al-Harith, Az-Zoebair, Aboe Talib, ‘Abdoellah, Hamzah, Aboe Lahab, Ghidaq, Maqwam, Safar en Al-‘Abbaas. Hij had ook zes dochters, dit waren Oemm Al-Hakim – de enige witte – Barrah, ‘Atikah, Shafijjah, Arwa en Oemaima. 3) ‘Abdoellah: de vader van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) . Zijn moeder was Fatimah, dochter van ‘Amr ibn ‘A’idh ibn ‘Imran ibn Makhzoem ibn Yaqdha ibn Moerra. ‘Abdoellah was de slimste van de zoons van ‘Abdoel-Moettalib, de meest kuise en de geliefdste. Hij was ook de zoon naar wie de voorspellende pijlen wezen als degene die als offer aan Al-Ka’bah moest worden geslacht. Toen ‘Abdoel-Moettalib tien zoons had en zij de volwassen leeftijd bereikten, onthulde hij zijn geheime gelofte aan hen waarmee zij in stilte en gehoorzaam instemden. Hun namen werden op voorspellingspijlen geschreven en aan de bewaker van hun meest geliefde godin, Hoebal, gegeven. De pijlen werden geschud en getrokken. Een pijl toonde aan dat het ‘Abdoellah was, die moest worden geofferd. ‘Abdoel-Moettalib nam de jongen toen naar Al-Ka’bah en nam ook een scheermes mee, om de jongen te slachten. De Qoeraisj, zijn ooms van de Makhzoem-stam en zijn broer Aboe Talib, trachten hem echter van het volbrengen van zijn doel af te brengen. Hij zocht toen hun advies, betreffende zijn gelofte. Zij gaven de suggestie, dat hij een vrouwelijke waarzegster moest laten beoordelen wat te doen. Zij gaf bevel, dat de voorspellingspijlen moesten worden getrokken, betreffende ‘Abdoellah, alsmede tien kamelen. Zij voegde eraan toe, dat de trekking zou moeten worden herhaald met tien extra kamelen, iedere keer dat de pijl ‘Abdoellah aanwees. De operatie werd aldus herhaald tot het aantal kamelen was opgelopen tot honderd. Op dit punt toonde de pijl de kamelen en hierop volgend werden zij allemaal geslacht, in plaats van zijn zoon. De geslachte dieren werden achtergelaten voor iedereen om van te eten, mens of dier. Dit incident bracht een verandering teweeg in het bedrag aan bloedgeld dat gewoonlijk in Arabië werd geaccepteerd. Het was voorheen tien kamelen, maar na deze gebeurtenis vermeerderde het naar honderd. Later keurde de islam dit goed. Iets anders dat nauw verwant is aan de bovengenoemde kwestie, is het feit dat de Profeet (vrede zij met hem) eens zei: “Ik ben het nageslacht van de twee geslachten,” waarmee hij Isma’iel en ‘Abdoellah bedoelde. ‘Abdoel-Moettalib koos Amina, de dochter van Wahab ibn ‘Abdoel Manaf ibn Zahra ibn Kilab, als vrouw voor zijn zoon. In het licht van deze voorouderlijke afkomst, was zij aldus vooraanstaand in de zin van edele positie en afkomst. Haar vader was de leider van de Bani Zahra, aan wie grote eer werd toegekend. Zij trouwden in Mekka en snel daarna werd ‘Abdoellah door zijn vader naar Medina gestuurd om dadels te kopen, waar hij stierf. In een andere versie ging ‘Abdoellah op een handelsreis naar Syrië en stierf hij in Medina op de terugreis. Hij werd begraven in het huis van An-Nabigha Al-Djoe’di. Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij stierf. De meeste historici zeggen, dat hij twee maanden voor de geboorte van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) stierf. Sommige anderen zeggen, dat zijn dood, twee maanden na de geboorte van de Profeet (vrede zij met hem) was. Toen Amina over de dood van haar echtgenoot werd geïnformeerd, herdacht zij zijn herinnering met een uiterst hartverscheurende treurzang. ‘Abdoellah liet zeer weinig rijkdom achter – vijf kamelen, een klein aantal geiten, een vrouwelijke bediende, Barakah genaamd – Oemm Aiman – die later als het kindermeisje van de Profeet (vrede zij met hem) zou dienen.

Boot-je
29-09-2010, 05:03
De geboorte van Mohammed s.a.w. en veertig jaar voorafgaand aan zijn profeetschap Zijn geboorte Mohammed s.a.w., de Meester der profeten, is geboren op de Bani Hasjim-laan in Mekka op een maandagmorgen, de negende van Rabi' Al-Awwal, in hetzelfde jaar als de Gebeurtenis met de Olifant en in het veertigste jaar van de heerschappij van Kisra (Khosroe Noesjirwan), d.w.z. volgens de geleerde Mohammed Soelaiman Al-Mansoerpoeri en de astroloog Mahmoed Pasja de twintigste of éénentwintigste april, 571 na Christus. Ibn Sa'd heeft overgeleverd, dat de moeder van Mohammed s.a.w. zei: “Toen hij werd geboren, was er een licht dat scheen vanuit mijn schaamstreek en de paleizen van Syrië verlichtte.” Ahmad heeft op gezag van ‘Arbadh ibn Sariya een verhaal overgeleverd, dat hiermee te vergelijken is. Er is onenigheid over de overlevering of belangrijke tekenen die zijn geboorte vergezelden: veertien galerijen van het paleis van Kisra scheurden en vielen naar beneden, het heilige vuur van de Magians doofde en enkele kerken aan het Sawa-meer zonken neer en storten ineen. Zijn moeder stuurde onmiddellijk iemand om zijn grootvader ‘Abdoel-Moettalib te informeren over de blijde gebeurtenis. Vol blijdschap kwam hij naar haar, droeg hem naar Al-Ka'bah, bad tot Allah en dankte Hem. ‘Abdoel-Moettalib noemde de baby Mohammed, een naam die toen niet gebruikelijk was onder de Arabieren. Hij besneed hem op de zevende dag zoals onder de Arabieren de gewoonte was. De eerste vrouw die hem zoogde, na zijn moeder, was Thoejabah, de concubine van Aboe Lahab, met haar zoon, Masroeh. Zij had Hamzah ibn ‘Abdoel-Moettalib eerder gezoogd en later zoogde zij Aboe Salamah ibn ‘Abd Al-Asad Al-Makhzoemi. http://img840.imageshack.us/img840/4883/2463f92130ba25738246d0a.gif (http://www.fotoaanpassen.nl) De plaats waar profeet Mohammed s.a.w. is geboren. Babytijd Het was de algemene gewoonte van Arabieren die in de stad woonden, om hun kinderen weg te sturen, naar bedoeïenen-zoogmoeders, zodat zij in de vrije en gezonde omgeving van de woestijn konden opgroeien, waardoor ze een robuust gestel zouden ontwikkelen en de pure spraak en manieren van de bedoeïenen zouden verkrijgen, die geroemd werden om zowel de kuisheid van hun taal als vanwege het vrij zijn van het soort ondeugden die zich gewoonlijk in gevestigde maatschappijen ontwikkelden. Later werd de Profeet s.a.w. toevertrouwd aan Halimah bint Abi Dzoeaib van de Bani Sa'd ibn Bakr. Haar echtgenoot was Al-Harith ibn ‘Abdoel Oezza die Abi Kabsah werd genoemd, van dezelfde stam. Mohammed s.a.w. had verscheidene pleegbroers en -zussen, ‘Abdoellah ibn Al-Harith, Anisjah bint Al-Harith, Hoedhafah of Djoedhamah bint Al-Harith (bekend als Asj-Sjayma') en Halimah zoogde de Profeet s.a.w. en Aboe Soefjan ibn Al-Harith ibn ‘Abdoel-Moettalib, de neef van de Profeet s.a.w. . Hamza ibn ‘Abdoel-Moettalib, de oom van de Profeet s.a.w. werd door dezelfde twee zoogmoeders, Thoejabah en Halimah As-Sa'dijah, als de Profeet s.a.w. gezoogd. De tradities overleveren verrukkelijk hoe Halimah en haar hele huishouden werden begunstigd door opeenvolgende fortuinlijke voorvallen, terwijl de baby Mohammed s.a.w. door haar werd verzorgd. Ibn Ishaaq verklaart, dat Halimah heeft overgeleverd, dat zij met haar echtgenoot en met een baby aan de borst vertrok vanuit haar dorp, in het gezelschap van enkele vrouwen uit haar clan, op zoek naar kinderen die gezoogd moesten worden. Zij zei: “Het was een jaar van droogte en hongersnood en we hadden niets te eten. Ik reed op een bruine ezelin. We hadden ook een oude ezelin bij ons. Bij Allah, we konden nog geen druppel melk krijgen. 's Nachts deden we ook geen oog dicht, omdat het kind van de honger bleef huilen. Er was niet genoeg melk in mijn borsten en zelfs de ezelin had niets om hem mee te voeden. We deden voortdurend gebeden om regen en onmiddellijke verlichting. Uiteindelijk bereikten we Mekka, op zoek naar kinderen om te zogen. Geen enkele vrouw onder ons accepteerde de Boodschapper van Allah s.a.w. , wanneer hij aan haar werd aangeboden. Zo gauw hen werd verteld, dat hij een wees was, weigerden ze hem. We hadden onze ogen al laten vallen op de beloning die we van de vader van het kind zouden krijgen. Een wees! Wat zullen zijn grootvader en zijn moeder waarschijnlijk doen? Dus we verachten hem daarvoor. Iedere vrouw die met mij meereisde, kreeg een zuigeling en toen we op het punt van vertrek stonden, zei ik tegen mijn echtgenoot: ‘Bij Allah, ik wil niet met de andere vrouwen teruggaan zonder een baby. Ik zal maar naar die wees gaan en ik moet hem maar meenemen.' Hij zei: ‘Het kan geen kwaad dat te doen en misschien zal Allah ons via hem zegenen.' Dus ging ik en nam hem, omdat er simpelweg geen ander alternatief voor mij was, dan hem te nemen. Toen ik hem in mijn armen had genomen en naar mijn plek terugkeerde, legde ik hem aan mijn borst en tot mijn grote verbazing was er genoeg melk in. Hij dronk tot hij verzadigd was en dat deed zijn pleegbroer ook en toen gingen zij beide slapen, hoewel mijn baby de vorige nacht niet had kunnen slapen. Mijn echtgenoot ging toen naar de ezelin om haar te melken en tot zijn verbijstering, vond hij er meer dan genoeg melk in. Hij melkte haar en we dronken tot we vol waren en we genoten van een goede nachtrust. De volgende morgen zei mijn echtgenoot: ‘Bij Allah, Halimah, je moet begrijpen, dat je in staat was een gezegend kind te nemen.' En ik antwoordde: ‘Bij de genade van Allah, ik hoop het.'” De traditie is heel stellig over het punt dat de terugreis van Halimah en haar latere leven, zolang de Profeet s.a.w. bij haar bleef, heel gelukkig was. De ezel waar ze op reed, toen ze naar Mekka kwam, was mager en bijna kreupel; tot grote verbazing van Halima's medereizigers, pakte het de snelheid al gauw op. Tegen de tijd dat ze de kampen in het land van de stam van Sa'd bereikten, was de weegschaal van het geluk volledig, ten gunste van hen omgeslagen. In het dorre land ontsprong weelderig gras en de beesten kwamen bevredigd en vol melk naar hen terug. Mohammed s.a.w. bleef twee jaar bij Halimah, totdat hij was gespeend, zoals Halimah zei: “We brachten hem terug naar zijn moeder en verzochten haar ernstig om hem bij ons te laten blijven en ons baat te laten hebben van het geluk en de zegeningen die hij ons had gebracht. We drongen aan bij ons verzoek, dat we motiveerden door onze ongerustheid over het kind uit te spreken, dat hij een bepaalde infectie, die in Mekka veel voorkwam, zou oplopen. Uiteindelijk werd onze wens vervuld en de Profeet s.a.w. bleef bij ons, totdat hij ongeveer vier of vijf jaar oud was.” Toen, zoals in Sahih Moeslim wordt overgeleverd door Anas, Djibriel (Gabriël) neerdaalde en zijn borstkas openscheurde en het hart eruit nam. Hij perste er toen een bloedprop uit en zei: “Dat was het stuk van Sjaithaan in jou.” En toen waste hij het met Zamzam-water in een gouden bassin. Daarna werd het hart weer samengevoegd en op zijn plaats teruggezet. De jongens en speelkameraadjes renden naar hun moeder, d.w.z. hun zoogmoeder, toe en zeiden: “Waarlijk, Mohammed s.a.w. is vermoord.” Zij snelden allen op hem toe en vonden hem helemaal in orde, alleen zijn gezicht


Pagina's : [1] 2 3