Bekijk volle/desktop versie : Keyens Theorie Wie HELPT MIJ



Pagina's : [1] 2

02-01-2004, 22:34
Ik ben nu al 2 jaar aan het worstelen met de Keyens-theorie maar ik snap er nog steeds geen bal van. Ik heb nu al 2 toetsen hiervoor gehad en alle 2 zwaar vernxukt. Wie helpt MIj
Alvast bedankt

02-01-2004, 22:59


Keynes schreef het boek The Economic Consequences of the Peace...kan je lenen bij t erasmus universiteit in rdam, wel in t engels geschreven dus weetnie of je daar veel aan hebt.

Maar in feitte slaat het op onderstaande neer:

Hij werd de ''inkomensvermenigvuldiger'' genoemd.
Wanneer de overheid de bestedingen stimuleert door bv een nieuwe haven te laten leggen, heeft dit een soort sneeuwbaleffect voor de economie.

Havenbouwers krijgen nieuwe opdrachten en gaan met hun werknemers aan de slag om die opdrachten uit te voeren.

Sommigewerkgevers moeten zelfs nieuwe werknemers aantrekken. Kortom, in de havenbouw wordt een extra inkomen verdiend. Een deel daarvan leidt tot extra bestedingenvan de gezinnen van de werknemers in de havenbouw Deze kopen extra vakantie's, bankstellen en verzekeringen (bij wijze van spreken)

Daardoor ontstaat er extrawerk en extrainkomen bij reisbureaus en touroperators, bij de meubelindustrie en in de verzekeringsbracnhe. Ook daargeven de werknemers het extraverdiende inkomen voor een deel weer uit, enzovoort!

Heteffectis uiteindelijk een aantal keren groter dan de oorspronkelijke investering van de overheid, vandaarde naam inkomensvermenigvuldiger of in t engels Multiplier!


Hoop dat dit je een beeje verder helpt. Tis eigenlijk echt makkelijk, alleen door middel van veel verschillende voorbeelden kan je t beter in je hoofd krijgen...

03-01-2004, 00:22
CRISIS

HOOFDSTUK 1 HOEZO CRISIS
1.1. WAT IS EEN CRISIS?

Economische crisis: periode waarin de groei van de productie wordt verstoord.

1.2. CRISIS, WAT MERK JE DAARVAN?

Een crisisverschijnsel is bijvoorbeeld bezuinigen door de overheid, er zijn altijd groepen in een samenleving die door een crisis getroffen worden, maar ook conflicten m.b.t. machtsverhoudingen zijn een verschijnsel.

HOOFDSTUK 2 WERKLOOSHEID

2.1. ONTWIKKELING VAN DE WERKLOOSHEID

Mensen zijn afhankelijk van hun werk door de ver doorgevoerde specialisatie en het gebrek aan productiemiddelen.
Ook werknemers hebben last van werkloosheid omdat hun lonen omlaag moeten om meer mensen werk te kunnen bieden en de premies voor de uitkeringen zullen omhoog moeten.
Om werkloosheid te vergelijken kun je de werklozen het beste uitdrukken in procenten van de afhankelijke beroepsbevolking.
Afhankelijke beroepsbevolking: de in loondienst werkenden (met een baan van 12 uur of meer) plus de werklozen die op zoek zijn naar een baan van 12 uur of meer.

2.2. WIE TELT MEE ALS WERKLOZE?

Officieel telt een geregistreerde werkloze mee: personen tussen de 16 en 65 jaar, die ingeschreven staan bij een arbeidsbureau, geen betaald werk hebben van 12 uur per week of meer, beschikbaar zijn voor een werkkring van 12 uur of meer en binnen 2 weken beschikbaar.
Maar op de ze manier vergeet je de verborgen werklozen: WAO-ers, huisvrouwen, scholieren en studenten, enzovoort.
Maar de werkloosheid zou door deze telling ook lager uit kunnen vallen: mensen met tijdelijk werk, die niet meteen beschikbaar zijn en de werkloosheid wordt geteld in personen, niet in arbeidsjaren: het aantal volledige banen waarbij zo’n baan op 1750 werkuren per jaar wordt gesteld.

2.3. INDELINGEN VAN WERKLOZEN

Je kunt werklozen naar seizoen, geslacht, leeftijd, inschrijvingsduur, woonplaats, … indelen.

2.3.1. Seizoensinvloeden

Omdat sommige beroepen maar een deel van het jaar worden uitgeoefend ontstaat er seizoenswerkloosheid. In Nederland bestaat er in de winter meer werkloosheid doordat bepaalde diensten afhankelijk zijn van het (goede) weer.

2.3.2. Verschillen naar geslacht en leeftijd

Er is een groot verschil in participatiegraad (het aantal werkenden in percentage van de bevolking) tussen mannen en vrouwen, maar ook in leeftijd.

2.3.3. Werkloosheid naar inschrijvingsduur

De meeste werklozen zijn korter dan 1 jaar werkloos.

2.3.4. Regionale verschillen

In de steden heerst veel meer werkloosheid dan erbuiten.

2.3.5. Werkloosheid onder immigranten

Deze is meestal veel groter omdat mensen die net in Nederland komen, niet aan de arbeidseisen voldoen. Ze hebben te weinig scholing, spreken weinig Nederlands, hebben weinig ervaring, enz.

HOOFDSTUK 3 CONJUNCTUUR EN STRUCTUUR

3.1. CONJUNCTUUR EN STRUCTUUR

Als de nadruk bij een crisis ligt op afzetproblemen, is er sprake van een conjunctuurtheorie: wijt de verklaring aan schommelingen in de totale vraag naar goederen en diensten werkloosheid bij te weinig klanten.
Conjuncturele werkloosheid: werkloosheid ontstaan door een tekort aan vraag.
Structuurtheorie: oorzaken worden gezocht bij de productie zelf.
Structurele werkloosheid: onstaat door veranderingen in omvang, kwaliteit en kosten van de productiefactoren.

3.2. DE VRAAGZIJDE

De Conjunctuur is de voortdurende golfbeweging van opgang en stagnatie van de productie veroorzaakt door vraagveranderingen.
De effectieve vraag de feitelijke bestedingen uitgeoefend bij binnenlandse ondernemingen door gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland.
De productiecapaciteit is de maximaal haalbare productieomvang die met inzet van alle beschikbare productiefactoren kan worden voortgebracht.
De bezettingsgraad van de productiecapacviteit geeft de verhouding tussen productie en productiecapaciteit weer.
Laagconjunctuur een deel van productiecapaciteit is onbenut. Het kan betekenen dat de vraag en dus de productie minder groeit recessie. Een absolute daling wordt een depressie genoemd. Als een recessie of depressie lang duurt is er sprake van een economische crisis
Hoogconjunctuur houdt in dat de vraag groter is dan de productiecapaciteit. In dit geval is er een tekort aan arbeidskrachten en aan kapitaal alles wordt duurder.

3.3. DE AANBODZIJDE

De structurele ontwikkeling: de productiecapaciteit verandert door veranderingen in de kwantiteit en de kwaliteit van de productiefactoren. Veranderingen in de productiecapaciteit en dus de aanbodzijde werken meer op langere termijn.

3.4. CONJUNCTURELE EN STRUCTURELE WERKLOOSHEID

De vraag naar arbeid is kleiner dan het aanbod: werkloosheid ruime arbeidsmarkt.
De vraag naar arbeid is groter dan het aanbod krappe arbeidsmarkt
Conjuncturele werkloosheid is het gevolg van een te lage effectieve vraag.
Structurele werkloosheid is het gevolg van veranderingen aan de aanbodzijde. (veranderingen in de productiefactoren)

I – Structurele werkloosheid in enge zin: aantal arbeidsplaatsen schiet tekort.
breedte-investering: de verhouding kapitaal-arbeid blijft hetzelfde diepte-investering: relatief meer kapitaal maar minder arbeid wordt gebruikt de arbeidsproductiviteit neemt toe.
II- Seizoenswerkloosheid: een deel van het jaar ligt de productie stil en zijn de mensen werkloos.
III- Kwalitatieve structuurwerkloosheid :tegelijkertijd werklozen en vacatures, de eisen waaraan de werknemer moet voldoen komt niet overeen met de kwaliteiten van de werkloze.
IV-




Frictiewerkloosheid: er moet een tijd overbrugd worden om een baan te vinden










HOOFDSTUK 4 HOOFDSTROMINGEN VAN
CRSISTHEORIEEN

4.1 DE KLASSIEKE THEORIE

Uitgangspunt was het prijsmechanisme (marktmechanisme): vraag en aanbod van goederen en diensten zijn vanzelf aan elkaar gelijk door prijsveranderingen. Als er veel aanbod is, is er een lage prijs om de spullen kwijt te raken, als er hierdoor weinig aanbod overblijft stijgen de prijzen, iedereen koopt het toch wel, als hierdoor de verkoop weer afneemt dalen de prijzen, enzovoort.
Wet van Say: elk aanbod schept zijn eigen vraag. (crises ontstaan door tussenkomst van overheid, vakbonden, enz.
De overheid moet zich alleen met ‘law and order’ bezighouden.
De klassieken benaderen de economie vanuit de aanbodzijde, ze verklaren de structurele werkloosheid. Conjuncturele werkloosheid bestaat volgens hen niet. Werkloosheid die ontstaat door het tekortschieten van de vraag bestaat niet omdat de productiecapaciteit altijd volledig benut wordt.
Het prijsmechanisme werkt op alle markten: A. goederenmarkt; prijsveranderingen B. arbeidsmarkt; hoogte van het loon
C. vermogensmarkt; renteveranderingen
D. valutamarkt; veranderingen in de wisselkoers
4.2. HET MARXISME

Marx benadrukt het bestaan van 2 maatschappelijke klassen. De kapitalisten zijn uit op accumulatie (van het kapitaal) & de arbeiders die hun arbeidskracht verkopen (loonarbeid).
De Kapitalisten worden rijk door uitbuiting. Arbeiders krijgen een minimaal loon en de meerwaarde wordt gebruikt om te investeren voor nog meer winst. De Kapitalist is niet geïnteresseerd in de gebruikswaarde maar in de ruilwaarde.
Economische crises zijn onvermijdelijk.

4.3. KEYNES
4.3.1. De crisis van de jaren dertig

In de jaren ’30 was er sprake van een grote economische crisis waar heel de wereld de dupe van was. Het eerste land waar het beter mee ging, was Amerika; het land waar de overheid zich wèl met de economie bemoeide…

4.3.2. De theorie van Keynes

-Het marktmechanisme is geschikt om te bepalen welke productie er moet plaatsvinden, maar het garandeert niet het goede niveau (volledige werkgelegenheid).
Het prijsmechanisme versterkt een neergaande conjunctuur.
-Een economische crisis kan worden veroorzaakt door te weinig vraag naar producten; men moet de vraag stimuleren. de overheid moet zelf meer besteden, consumenten besteden extra geld misschien aan importpoducten of gaan sparen.
Bij een hoogconjunctuur moet de vraag worden afgeremd.
Bij onderbesteding is de effectieve vraag kleiner dan de productiecapaciteit. Mensen zijn pessimistisch over de toekomst en stellen aankopen uit. (De overheid moet zorgen voor extra vraag).
Bij bestedingsevenwicht is de effectieve vraag gelijk aan de productiecapaciteit.
Bij Keynes ligt de nadruk op de vraagzijde, de hoogte van het nationaal inkomen wordt door de effectieve vraag bepaald. De productiecapiteit wordt als een constant gegeven gesteld.
Het begrotingstekort van de overheid loopt bij een laagconjunctuur vanzelf op. De mensen verdienen en besteden minder. Ze betalen minder belasting, hebben misschien zelfs een uitkering nodig.
Bij een stimulerend beleid neemt het overheidstekort op korte termijn toe, maar op lange termijn af. De overheid financiert het tekort door te lenen.
Conjunctuurpolitiek: beleid van de overheid om de bestedingen te beïnvloeden zodat de effectieve vraag wordt aangepast aan de productiecapaciteit.
De theorie van Keynes kent een anti-cyclisch begrotingsbeleid, het is tegenovergesteld aan het verloop van de conjunctuur.

4.3.3. Toepassingen op Keynes’ theorie

President Roosevelt introduceerde de ‘New Deal’, iedereen zette hij aan het werk.
Ook Hitler gebruikte een Keynesiaans beleid, hij liet alle werklozen wapens produceren.

4.4. VERSCHILLEN TUSSEN DE STROMINGEN

Vraagzijde/ Aanbodzijde/
Conjunctuur Structuur




Keynes (Neo)Klassieken


I EV = PC altijd: PC Produktie EV
(prijsmechanisme)
3 situaties EV > PC
verstoring hiervan
EV < PC

conjuncturele structurele
werkloosheid werkloosheid

II kooopkrachtaspect kostenaspect
van het nettoloon: van het brutoloon:
Loon vraag prod. loon prijs vraag prod.

III vraagstimulering herstel prijsmechanisme door:
oplossing minder arbeidsbemoeienis
werkloosheid flexibele lonen + prijzen
HOOFDSTUK 5 DE THEORIE VAN KEYNES IN MODELVORM

03-01-2004, 00:24
5.1. INLEIDING

De theorie van Keynes is verwerkt in een conjunctuurmodel. Het gaat hierbij om veranderingen in de effectieve vraag, de productiecapaciteit wordt als constant verondersteld.

5.2. DE GESLOTEN ECONOMIE ZONDER OVERHEID

Inkomenseffect/ Bestedingseffect: Een investering in kapitaalgoederen betekent een vraag naar consumptiegoederen, eenmalig.
Capaciteitseffect: Een investering betekent een toename van de productiecapaciteit, voor een langere periode.
¨ In het Keynesiaans model gaat het om het inkomenseffect

¨ Het model in algebraïsche vorm ziet er ongeveer zo uit:
W = EV S = I
W = Y S = [Y-c(Y-B)] - C
Y = C + I I = I°
C = c(Y-B) +C°
I = I°
O = O°
B = bY + B°

Autonome consumptie: de omvang van de consumptie dat niet afhankelijk is van een andere factor uit het model (CÂ&deg
Marginale consumptiequote: welk deel van een inkomensstijging wordt geconsumeerd (c).
Geïnduceerde consumptie: de consumptie die afhankelijk is van het verdiende inkomen. (cY)
Totale consumptie: som van de ge:induceerde consumptie en de autonome consumptie, (C)

¨ Gemiddelde consumptiequote = C = totale consumptie
Y nationaal inkomen

¨ Marginale consumptiequote = &#916;C = varandering totale consumptie
&#916;Y varandering van het nationaal inkomen
Zo werken ook de overige onderdelen van het model.

5.2.2. De multiplierwerking

Multiplier: geeft aan hoeveel ’t nationaal inkomen verandert ten gevolge van een autonome besteding
: getal waarmee je de verandering van een autonome grootheid moet
vermenigvuldigen of de verandering van Y uit te kunnen rekenen.

Rekenvoorbeeld: Y = cY + I° + C°
Y – cY = I° + C°
(1- c)Y = I° + C°
Y= I° + C°
&#916;Y
multiplier =
&#916;I°

5.2.3. Het bestedingsevenwicht

Bestedingsevenwicht: productiecapciteit wordt volledig benut.

Beroepsbevolking (mensen die in staat zijn om te werken)
Potentiële werkgelegenheid- (werkgelegenh. als de prod.cap. volledig benut wordt)
structurele werkloosheid

Feitelijke werkgelegenheid - (Aantal mensen die echt werken)
Conjuncturele werkloosheid

5.3. DE GESLOTEN ECONOMIE MET OVERHEID

consumptie particuliere consumptie
Totale bestedingen overheidsconsumptie overheids-
investeringen overheidsinvesteringen bestedingen
particuliere investeringen

Anti-cyclisch beleid: De overheid gaat tegen de conjunctuurcyclus in.
Inverdieneffecten: de stijgende belastingontvangsten als gevolg van een stimulering door de overheid (waardoor burgers meer te besteden hebben).
¨ De som van de waarden van de vraagvergrotende factoren is gelijk aan de som van de waarden van de vraagverkleinende factoren.

5.4. DE OPEN ECONOMIE MET OVERHEID

Model met spaarfunctie: W = EV
Y = C + I + O + E – M
C + S + B = C + I + O + E – M
S + B = I + O + E – M
(S – I) + (B – O) = (E – M)
(part. spaarsaldo)(overheidssaldo) (nationaal spaarsaldo)

HOOFDSTUK 6 ECONOMISCHE GROEI

6.2. MAATSTAVEN VOOR ECONOMISCHE GROEI

Economische groei: de groei van het reële netto nationaal product (=inkomen) per hoofd van de bevolking
¨ Indexcijfer: waarde in jaar x x 100
waarde in basisjaar
Informele sector: dat deel van de economie waar geld nauwelijks een rol speelt en veel handel in natura plaats vindt.

6.3. OORZAKEN VAN ECONOMISCHE GROEI

1. Kwantiteit en kwaliteit van de productiefactor kapitaal
Goed kapitaal(goed) = meer productie
2. Kwantiteit en kwaliteit van de productiefactor arbeid
3. Natuur
(voorraden aan delfstoffen)
4. Incidentele factoren

De feitelijke groei hangt zowel van de vraag- als de aanbodfactoren af.

6.5. ECONOMISCHE GROEI EN MILIEU

negatieve ‘externe effecten’: het productief en consumptief handelen verlaagt de welvaart in ruime zin voor anderen

6.6. SELECTIEVE GROEI EN ECONOMISCHE POLITIEK

Oogmerken van selectieve groei:
a) Ontwikkeling van achtergebleven regio’s
b) Internationale arbeidsverdeling
c) Milieuvriendelijker productie
d) Energiebesparing
e) Kleinschaligheid

Nulgroei: de economie moet niet kwantitatief maar kwalitatief groeien

6.7. HET HARROD-DOMAR GROEIMODEL

Gebaseerd op de aanbodzijde i.p.v. de vraagzijde en op de wet van Say:
Elk aanbod schept zijn eigen vraag: als iemand goederen produceert krijgt hij inkomen en kan hiermee zelf weer producten kopen

K= kapitaalgoederenvoorraad
K W Y C
S I K productiecapaciteit W Y
Het Harrod-Domar model veronderstelt:
- Kapitaal is de enige productiefactor die de (groei van de) productiecapaciteit bepaalt.
- Constante schaalopbrengsten: als K stijgt, stijgt W evenredig
Ook al produceer je meer, de kosten pe rproduct blijven hetzelfde.
- Alle besparingen worden geïnvesteerd (S=I)
- Standvastige verhoudingen: altijd vaste verhoudingen tussen de productiefactoren
- Er is altijd sprake van bestedingsevenwicht (W = productiecapaciteit)

Knelpuntsfactor: deze productiefactor is bepalend voor de omvang van de productie

Tekortkomingen van het model:
-Oorzaak van een slechte economie ligt niet alleen aan kapitaalgoederen
-Conjuncturele problemen blijven onverklaard
-Technische ontwikkelingen worden verwaarloosd
-Gesloten economie zonder aparte overheidssector

HOOFDSTUK 7 MODELBOUW IN DE PRAKTIJK

7.2. HET FREIA- KOMPAS-MODEL

- Een oude machine wordt afgeschreven als de reële arbeidskosten (hoeveel goederen iemand betaald krijgt) hoger zijn dan de reële arbeidsproductiviteit
- Stijging van de loonkosten is dubbel negatief:
1. de oudste relatief arbeidsintensieve jaargangen worden afgestoten
2. reële winsten dalen = geen geld voor nieuwe investeringen

Neo-klassieke redenering: hogere winsten leiden tot hogere investeringen, waardoor producticapaciteit en productiviteit stijgen
Keynesaanse redenering: de effectieve vraag moet zo veel mogelijk gelijke tred houden met de productiecapaciteit





+ +


+
+



+ + +

_
+ + -
- + +




-
+
HOOFDSTUK 8 CRISISBESTRIJDING

8.2. DE NEO-KLASSIEKE ZIENSWIJZE

¨ winstherstel voor het bedrijfsleven
¨ inkrimping collectieve sector
winst-werk-formule: winstherstel = meer investeringenx= meer arbeidsplaatsen

¨

loonmatiging nadelen van deze zienswijze
¨ privatisering
x diepte-investeringen
8.3. DE NEO-KEYNESIAANSE ZIENSWIJZE

Deze zienswijze kent veel praktische problemen zoals de moeilijkheid van het goed uitvoeren van het anti-cyclisch beleid en de verslechtering van de concurrentiepositie

8.4. HERVERDELING VAN ARBEID

D.m.v. arbeidstijdverkorting; dit is nodig want “volledige werkgelegenheid zal wel nooit meer terug komen”

03-01-2004, 00:29


O zo makkelijk allemaal!

03-01-2004, 00:41
Ja inderdaad makkelijk he AAAAAAAAAH gekk word ik ervan SCHOOL=JOODS zeker weten
Is er iemand die het kan uitleggen zonder in een keer een heel werkstuk te droppen
Thank U

05-01-2004, 13:00

Citaat:
Origineel gepost door originalmocro
Ik ben nu al 2 jaar aan het worstelen met de Keyens-theorie maar ik snap er nog steeds geen bal van. Ik heb nu al 2 toetsen hiervoor gehad en alle 2 zwaar vernxukt. Wie helpt MIj
Alvast bedankt
ja keynes theorie daar bestaan er een aantal boeken over wat moet je juist kennen. ik denk dat ik je hiermee zeker kan helpen.

05-01-2004, 14:46
Hoe kan jij me dan helpen sidiahmed hulp is altijd welkom

06-01-2004, 14:01
HOE MAKKELIJK WIL JE HET HEBBEN, WAT HIERBOVEN STAAT IS ZO DUIDELIJK ALS IK WEET NIET WAT.


OF MOET JE ER NOG TEKENINGEN BIJ VAN DICK BRUNA

06-01-2004, 14:08

Citaat:
Origineel gepost door Thazemith
HOE MAKKELIJK WIL JE HET HEBBEN, WAT HIERBOVEN STAAT IS ZO DUIDELIJK ALS IK WEET NIET WAT.


OF MOET JE ER NOG TEKENINGEN BIJ VAN DICK BRUNA
Heb jij die dan, dan zou ik ze graag willen hebben.

06-01-2004, 14:10
NEE SORRY IK HEB ZE UITGELEEND AAN MN BROERTJE VAN 4 DUS HELAAS NEXT TIME BETTER

06-01-2004, 14:12
Toch niet die over Keynes he want die zou je aan mij uitlenen.


Okee we weten nu wel dat je slim bent maar als je niet wilt helpen dan hoeft het niet. Maar het betekent niet dat je iedereen moet afzijken die niet zo makkelijk dingen snapt als jij.

06-01-2004, 14:29


NEE JONGEN, HET IS EEN KOEKJE VAN EIGEN DEEG, JE KREEGT ZOVEEL INFORMATIE VAN DE LEDEN HIER EN GEEN 1 KEER HEB JE ZE BEDANKT ERVOOR, HET ENIGE WAT JE ZEGT IS DAT JE NOG MEER INFO NODIG HEBT OP EEN DRINGENDE MANIER. EEN BEETJE DANKBAARHEID VOOR IEDER DIE MOEITE HEEFT GEDAAN JOU HET UITLEGGEN IS TOCH NIET MOEILIJK, ANYWAY SUCCES ERMEE IM OUT


06-01-2004, 15:19
Hierbij bedank ik iedereen die mij heeft geholpen. Maar jij had het in je eerste reactie niet over dank, maar over dat het zo makkelijk is .

18-01-2004, 01:27
Niemand???????

Pagina's : [1] 2