CHEMSI & DE PRINS
Hoofdstuk 1
Het zweet druipte langs mijn voorhoofd. De hitte van de voorbije dagen was onuitstaanbaar. Het maakte het werken buiten ondraagelijk.
Zwaar werk. Het continu dragen van grote tafels en stoelen. We moesten met vanalles sleuren naar de immense grote tuin. Daar waar het jaarlijkse feest doorging.
Als het op zwaar en vuil werk aankwam was ik steeds vindbaar. Ik woonde dan ook bij de rijke royalty familie Mouhandiz.
Ik ben geen kind aan huis laat dat duidelijk zijn. Ik ben ook geen assepoester. Verre van.
Jaren geleden heeft onze majesteit Kabouz Mouhandiz mij letterlijk van de straten geplukt. Ik weet nog die bepaalde dag. Het was een nationale feestdag. Het was warm, heel warm
Ik liep verdwaald door de drukke straten. Ik hoorde enkel het gegil van de mensen, het getoeter en al het donderende applaus. Iedereen keek uit om een glimp van de koning te kunnen zien.
Ik was mij daar absoluut niet bewust van. Ik wilde 1 ding en dat was eten en drinken. Ik was toen 11 jaar als ik door de straten zwerfde zoekend in afval naar een klein beetje eten om te kunnen overleven.
Maar die dag veranderde mijn leven. De dag dat ik bijna werd dood gereden door de voorbij rijdende wagen van onze koning. Ik was vreemd genoeg niet gewond geraakt. Ik besefte op dat moment niet dat ik over stak terwijl het verboden was. De straten waren afgesloten. De mensen stonden aan de kant te wachten tot de koning voorbij werd gereden. Ik kan mij nog heel goed herinneren dat ik daar lag. Helemaal in paniek. Ik wilde wegrennen. Maar ik werd tegengehouden door de politie. Dan plots het gegil van de mensen. De koning was in grote paniek uit de wagen gestapt en bood mij zijn hulp.
Ik kan mij ook nog herinneren dat de veiligheidsagenten gevloekt hadden. Ze wilden mij uitmaken en mij wegsturen. De paniek sloeg ook in de mensen hun hart. Ik werd weg gedragen. Op dat moment had ik geen idee waarnaartoe. Ik werd gebracht naar een paleis. Een paleis waar je enkel over kon dromen. Niets was voor mij op dat moment werkelijkheid. Ik werd verzorgd. Gewassen en ik kreeg nieuwe kleren. En ik kreeg voedsel en drinken. En ik herinner mij nog heel goed dat ik niet te stoppen was. Ik moest veel eten om voor de rest van mijn leven geen honger meer te krijgen. Klinkt gek. Maar voor mij was het op dat moment realiteit. Ik werd op handen gedragen door de bedienden die er werkten. De eerste nacht als ik daaraan terug denk moet ik nog steeds lachen. Ik mocht slapen op een bed. En ik was zo blij. Ik had nooit in een bed geslapen. Ik weet niet hoe, maar ik was als een blok in slaap gevallen. Ik was gelukkig. De volgende dag werd ik bij de koning geroepen. Ik had nog steeds geen flauw idee wat de betekenis van een koning betekende. Wie hij was voor mij en voor heel het land. Voor mij was hij mijn redder, mijn echte hero. Ik kon hem niet genoeg bedanken. Ik moest op afstand blijven. Dat hadden ze mij laten weten. Ik mocht niet te dicht bij de koning staan. Ik mocht hem niet aanstaren. Allemaal regeltjes die ik opgelegd kreeg. En nooit begreep ik waarom. En de dag van vandaag begrijp ik het nog steeds niet.
Hij vroeg mij of ik familie had. Of ik iemand kende waar ze mij naartoe konden brengen. Hij vroeg hoelang ik al op straat leefde? Waar ik sliep? Ik herinner mij dat hij verslagen keek als ik hem vertelde dat ik geen familie heb. Dat ik al maanden op straat leef. Het klonk ongeloofwaardig. Maar ik besefte op dat moment heel goed dat hij elke woord geloofde. Ik had geen familie. Ik werd jaren grootgebracht door mijn grootvader, maar sinds hij overleden was had ik niemand. Ik kende ook niemand dan hij. En zo ben ik op straat beland. Ik hoor nog steeds de woorden van de majesteit in mijn hoofd. U zal hier blijven. U zal hier verzorgd worden en naar school gaan. Dit is jou nieuwe thuis. Ik keek toen rond. En ik liep naar hem toe en omhelsde de koning. Ik werd onmiddelijk tegengehouden. Maar mijn smile konden ze niet afnemen.
Wat is u naam had hij gevraagd. Ik haalde mijn schouders op. Dat weet ik niet meneer had ik met een grote glimlach geantwoord. Waarom lach je had hij nog streng gevraagd. Je naam niet kennen is niet grappig. Dat is een schande. Ik ben gelukkig meneer. Waarom had hij gevraagd. Ik mag in een reuze mooie huis blijven en ik krijg eten en drinken. Ik kan mij niets anders toe wensen meneer. Majesteit werd er gefluisterd in mijn oor. Ik had toen naar de man naast mij gekeken en gichelde. Majesteit ik moet majesteit zeggen. Is dat uw naam had ik gevraagd. De koning keek lachend toe. Niet te geloven had hij nog gezegd. Hoe oud ben je? Dat weet ik niet meneer. Ik bedoel meneer de majesteit. Ik kan niet tellen en ik kan ook niet lezen. Ik ben nooit naar school geweest. Ik zie nog steeds voor mij de medelijdende gezichten van enkele aanwezigen in de grote gouden kamer. Want zo noemde ik het. Ik ga uitzoeken wie je bent. En we gaan ons best doen iemand van jou familie te vinden. Ik had een grootvader meneer de majesteit. Maar hij is een tijdje geleden overleden had ik hem nog uitgelegd. Ken je de naam van u grootvader? Dat was het enige waar ik niet over moest nadenken. Ik kende mijn grootvader als Chaban. Zo noemden de mensen hem Haj Taibi Chaban. Ik voelde mij gelukkig dat ik het wist. Ik voelde mij trots dat ik het aan hem kon vertellen. Toen op dat moment kwam er een vrouw binnen met 3 kinderen. Een meisje zo mooi dat ik haar toen vond. Haar mooie haren en kleren. Ik voelde mijn glimlach groter worden. En twee jongens. De ene wat vrolijker dan de andere. Maar ze bekeken mij alle drie met grote ogen aan. Wie zijn jullie had ik nog durven vragen. Echt antwoorden deden ze niet. Het meisje was kleinder dan ik. En de jongens schatte ik toen mijn leeftijd. Dit zijn mijn kinderen had hij toen nog gezegd. Ik voelde mij in de zevende hemel. Ik kon blijven gichelen. Ik heb een naam voor jou had hij toen plots gezegd. Weet jij mijn naam had ik nog blij gevraagd. Ik kon we springen van geluk. Wat is mijn naam meneer de majesteit. Jou naam is vanaf nu Chemsi Chaban.



