Dafrikaan
13-03-2004, 16:59
De aardbeving die dit Marokkaanse gebied heeft getroffen herinnerd ons op een dramatische wijze aan de armoede daar. Het gebied van Alhucima dat twee weken geleden werd getroffen door een aardbeving - die volgens de definitieve balans voor 628 doden en 926 gewonden heeft gezorgd – heeft een normaler leven teruggevonden. Maar het beeld van de boerenfamilies die het gebied - met enkele pakjes - vluchtend verlaten, is op dramatische wijze het bewijs van de armoede die in dit deel van de Rif – het gebied tussen Tanger en de Algerijnse grens – heerst. “Men heeft het gevoel dat ze sinds de onafhankelijkheid door Rabat insteek worden gelaten”, vat Omar Moussa kort samen, medewerker van de plaatselijke vereniging Bades. Hij is niet de enige die er zo over denkt. Het spoorwegstation dat het dichtsbij Alhucima - de regionale hoofdstad; 70.000 inwoners – ligt, is te bereiken middels een busrit van drie uur. De luchthaven leidt ook een armoedig bestaan. Er is geen verbinding meer met de andere steden van het koninkrijk; het regelmatige vliegverkeer bestaat enkel uit een wekelijkse vlucht in de richting van Europa - waar een deel van de bevolking naartoe is geëmigreerd. De haven wordt uitgebreidt, maar de rampzalige stand van de infrastructuur maakt elke hoop om er een ontwikkelingskern van te maken nutteloos. Onlangs bestonden er zes viswinkels; nu zijn zijn ze allemaal – na een bevel daartoe te hebben gehad - gesloten. “Tot hun verbod, gebruikte men explosieven om de vis te pakken, die vervolgens direct in zee aan Spaanse vissers werden verkocht”, vertelt een leraar; Ahmed El-Azouzi. Het gebied wordt te veel voor het toerisme afgesloten; de Club Méditerranée van Alhucima heeft zijn deuren gesloten. Dan blijft de landbouw over, maar het reliëf en het klimaat bevorderen geen intensieve productie. “Wanneer het regent is er oogst; wanneer het niet regent, is er niets”, vat Omar - een landbouwer uit Tazahhine - kort samen. In deze “onderkant van Marokko” ( het epicentrum van de aardbeving), is het leven nog ruwer dan in de stad Alhucima. Hoewel er enkele weken geleden een eerste elektrische lijn werd gelegd, moet men nog altijd het water uit gemeenschappelijke putten halen. Een consultatiebureau bestaat, maar de verpleegkundige - die slechts is voorzien van enkele basisgeneesmiddelen – legt slecht twee bezoeken per week af. Scholen werden gecreëerd, maar het netwerk blijft laks. Een jongen - Moussaoui Fahmi – verteld dat hij is opgehouden met het bezoeken van de school – zo’ n 7km verderop -, omdat zijn ouders de collectieve taxi niet meer konden betalen. “De Basken van Marokko” Door te emigreren namen vele mensen ‘afscheid’ van de Rif. In de douars ging het inwonersaantal het meest achteruit; de inwoners vertrokken per tientallen opdat ze een minder ruw leven konden gaan leiden. Eerst naar Nederland en België en, nog recenter, Spanje; veel Riffijnen beheersen het Spaans al min of meer. Maar men moet de verharding van het immigratiebeleid overwinnen. De koninklijke marine heeft op de kliffen van Alhucima wachtposten geplaatst. Men begint met de emigratie in de nacht; eerst brengt men een poosje door in een schuilplaats vlakbij de internationale wateren. Pas de volgende dag – onder begunstiging van de duisternis – dat de bootjes de - op goed gelegen afstand – Spaanse kust proberen te bereiken. Enkele maanden geleden hebben de Algerijnen een ‘Zodiac’ ( een ‘oversteker’) geholpen die van Alhucima is vertrokken; hij was in een storm terechtgekomen. Van de twintig klandestiene ‘overstekers’ was hij de enige overlevende: Adil, een jonge stadszeeman werd op een wonderbaarlijke wijze gered door een touw dat hem aan het bootje verbond. De geschiedenis is niet onschuldig in het marginaliseren van de Rif en haar inwoners. “Wij worden als de Basken van Marokko gezien”, zo zegt Elyas El-Omari; een vroegere – extreem linkse - militant die net als een aantal intellectuelen tot het Amazighisme is bekeerd. De herinnering van de kortstondige Rif Republiek van Abdelkrim in de jaren 1920 - die door de Spanjaarden en de Fransen werd verpletterd - onderhoudt deze legende van een koppige provincie. Vanaf de onafhankelijkheid van Marokko tot in 1987 zijn de betrekkingen tussen Rabat en de verre provincie meestal conflictueel geweest. Hassan II wantrouwde de Riffijnen – die geen kwade bedoelingen hadden - . Sinds de komst van Mohammed VI op de troon, bestaat er hoop op verandering. Dat hij zich twee keer naar Alhoceima begaf, wordt gezien als een bewijs van interesse in het gebied; zelfs wanneer de aangekondigde projecten – waaronder een kustweg aan de Grand Gabarit - stagneren. De voornaamste vooruitgang betreft de cultuur en de Amazigh identiteit. Een kind een naam geven die refereert naar de plaatselijke geschiedenis is niet langer heiligschennis. De school reserveert voortaan een plaats voor het onderwijs in het Tmazight en de radio zendt enkele minuten van dagelijkse uitzending in het Tmazight uit. “Het is een begin, maar wij willen dat onze taal erkend wordt, net zoals het Arabisch ook erkend wordt”, zegt Elyas El-Omari. Anderen gaan verder en eisen autonomie voor het Rif- gebied. Die doelstelling ligt nog ver in het verschiet – in Alhoceima -, en sommigen zouden graag zien dat de Staat zich bezorgd maakte om de ontwikkeling van het gebied. “Als dat gebeurd”, onderstreept een assistent van de burgemeester van de stad, “dan zou de aardbeving niet zomaar een aanvullend onheil geweest zijn.” Bron: www.lemonde.fr/web/article/0,1-0@2-3212,36-355880,0.html Copyright Nederlandse tekst: Amazich.nl/ YBD